Dit artikel is een onderdeel van de Linguïstenperikelen. Mocht je langs een andere weg hier terechtgekomen zijn, dan kan je het hoofdartikel misschien beter eerst lezen.

De integrale tekst van "Variatie in het Nederlands – Eenheid in verscheidenheid" is hier te vinden. Hieronder geef ik enkel de becommentarieerde paragrafen; weggelaten tekst wordt vervangen door [..]. Schuine tekst is origineelklein groen is mijn commentaarvet groen (behalve titels) zijn koppelingen.

Variatie in het Nederlands – Eenheid in verscheidenheid – 2003

Taalvariatiebeleid in Taalunieverband – Beleidsadvies opgesteld door de Werkgroep Variatiebeleid van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren – April 2003

1 Inleiding
1.1 Reikwijdte van het advies
1.2 Positionering van het advies
1.3 Opdracht en samenstelling van de Werkgroep Variatiebeleid
2 Algemene beschouwingen
2.1 Variatie als taalkundig fenomeen
2.2 Standaardnederlands
2.3 Niet-standaardvariëteiten
2.4 Taalvariatie en taalbeleid
3 Uitgangspunten voor taalvariatiebeleid
4 Adviezen
4.1 Adviezen ten aanzien van Standaardnederlands
4.2 Adviezen ten aanzien van niet-standaardvariëteiten
4.3 Acties gericht op het publiek
5 De rol van de Nederlandse Taalunie
Eindnoten

1 Inleiding

1.1 Reikwijdte van het advies

[..]

1.2 Positionering van het advies

[..]

In het Taalunieverdrag is sprake van 'de' Nederlandse taal als voorwerp van beleid. De Raad en de Werkgroep Variatiebeleid vatten de Nederlandse taal nadrukkelijk op als een geheel van verschijningsvormen van het Nederlands en beschouwen taalvariatie daarom per definitie als object van Taaluniebeleid en dus van advisering door de Raad. "Taalvariatie" op zich is nogal algemeen, en omvat m.i. zowel het naast elkaar bestaan van variëteiten als de evolutie van of binnen die variëteiten. Het is wel de vraag of het zin heeft om veranderingen binnen een bepaalde variëteit, verschillend van de standaard, te willen beheren.

[..]

1.3 Opdracht en samenstelling van de Werkgroep Variatiebeleid

[..]

2 Algemene beschouwingen

2.1 Variatie als taalkundig fenomeen

Een fundamentele vorm van sociaal gedrag is communicatie. Daarmee treden mensen als individu of als groep met elkaar in contact. Van de middelen om communicatie tussen mensen tot stand te brengen, is taal ongetwijfeld het belangrijkste. Zonder taal is het omgaan van mensen met elkaar en samenwerking nauwelijks voorstelbaar. In het functioneren van taal zijn twee essentiële aspecten te onderscheiden. Enerzijds dient taal als communicatief systeem een praktisch doel: ze regelt de onderlinge verstaanbaarheid tussen de leden van de taalgemeenschap. Taal bindt de leden van een gemeenschap echter ook nog op een andere manier: ze heeft een belangrijke functie als symbool van eenheid en eigenheid van een groep. Taal fungeert anders gezegd ook als middel voor een individu om zich te identificeren met een bepaalde (sociale, culturele, enz.) groep. Weet ik niet hoor. Ik vrees dat hier een gebrekkige aspectscheiding speelt. Het lijkt mij logisch dat taal een bindend middel is in een groep (voorlaatste zin hierboven), meer specifiek dat sociale groepen o.m. gevormd worden door gemeenschappelijke taalkenmerken (bv. bepaalde klanken of woorden). Maar dat betekent nog niet dat taalgebruikers zich bepaalde taalkenmerken aanmeten om bij een bepaalde groep te horen (laatste zin). Een dialect spreken waar je niet mee opgegroeid bent heeft doorgaans niet dat effect, integendeel.

Het Nederlands kent een veelheid aan verschijningsvormen. Dit hangt samen met de heterogene samenstelling van de gemeenschap. Net zoals er in een pluriforme en in toenemende mate multiculturele samenleving allerlei opvattingen, gebruiken, omgangs- en uitdrukkingsvormen voorkomen – anders gezegd: net zoals er politieke, sociale en culturele variatie is -, zo is ook op het gebied van taal variatie een normaal maatschappelijk verschijnsel. Klopt, maar dat doet niets af aan de functie van een standaard (zie verder).

Wat men 'het' Nederlands noemt, is in feite een verzameling van historisch en structureel onderling nauw samenhangende taalvariëteiten. Onder 'taalvariëteit' verstaat men in de taalwetenschap een verschijningsvorm van een taal met een aantal eigen kenmerken. (De concrete realiseringen van variabele kenmerken – woorden, constructies, uitspraakkenmerken – noemt men 'varianten'.) Taalvariëteiten kunnen geografisch, sociaal, etnisch of situationeel bepaald zijn. Interessant, deze definitie, ook al is ze misschien niet heel sluitend. In de 2019-versie van de visietekst staan geen definities meer, wat daar veel onduidelijkheid doet ontstaan. Zo zijn bijv. de dialecten van Brugge, Kerkrade of Groningen, streektalen als het Nedersaksisch, vormen van Nederlands gesproken door allochtonen van de tweede generatie, door autochtonen gebruikte tussentalen, jongeren- en groepstalen en het Nederlands gesproken in Suriname allemaal variëteiten van het Nederlands. Een dergelijke open en brede definitie van 'het' Nederlands is gangbaar in de taalwetenschap. Het gaat om een geheel van nauw verwante verschijningsvormen met een aantal gemeenschappelijke kenmerken, maar ook met onderlinge verschillen.

2.2 Standaardnederlands

Van de verschillende taalvariëteiten van een taal is er gewoonlijk één die een overkoepelende functie heeft en gestandaardiseerd is. Die taalvariëteit noemt men de standaardtaal (nog een definitie!), in het geval van het Nederlands spreekt men van het Standaardnederlands. Gestandaardiseerd zijn van een variëteit houdt in (1) dat de variëteit in kwestie gecodificeerd is, d.w.z. dat het lexicon, de uitspraak (oh, ja? was mij niet bekend; lijkt mij ook niet mogelijk, gezien de geografische variaties) en de grammatica ervan beschreven/vastgelegd zijn in resp. woordenboeken, uitspraakwoordenboeken en grammatica's, (2) dat die codificering als richtlijn geldt voor het 'goede gebruik' (normbepalend is), en (3) dat die variëteit gebruikt wordt in – althans geïntendeerd (= bedoeld) wordt als norm voor – het zogenaamde publieke domein, d.w.z. in alle belangrijke sectoren van het openbare leven: bestuur en administratie, rechtspraak, onderwijs, media, enz. Merk op dat hier nog geen sprake is van "prestige", een begrip dat wel in de 2019-visietekst wordt opgenomen, en de boel alleen maar waziger maakt.

Standaardtaal is het product van een langdurig en continu proces van standaardisering, waarbij onder meer de machtsverhoudingen binnen een gemeenschap een belangrijke rol spelen. Standaardisering (of standaardtaalnormering) komt (min of meer onbewust) tot stand in een complex maatschappelijk proces, maar kan voor een deel ook (of alleen maar?) gestalte krijgen door bewuste sturing en vormen van overheidsbeleid. Als je dit aan organische processen overlaat komt er alleen maar chaos van. In die zin is (standaard)taal beperkt maakbaar. Men spreekt in dat geval van taalplanning, die betrekking kan hebben op de status, het corpus en de acquisitie van (standaard)taal. Statusplanning betreft het toekennen of uitbreiden van functies (verklaring?) van een taal, bij corpusplanning gaat het om het codificeren van een taal, bij acquisitieplanning om het uitbreiden van het aantal gebruikers van een taal door onderwijs en diverse vormen van taaladvisering.

Standaardtaal is geen monolithisch geheel. Binnen standaardtaal kan een onderscheid gemaakt worden enerzijds tussen geschreven en gesproken taal (zie ook Spreektaal en schrijftaal), anderzijds tussen een formeel en een informeel taalregister (gebrekkige aspectscheiding; zie ook hier; en misschien is dit onderscheid zelfs weinig zinvol, want registerafhankelijk). Een dergelijke gedifferentieerdheid is eigen aan iedere standaardtaal. Wat het proces van standaardisering betreft, moet geconstateerd worden dat de Nederlandse standaardtaal, net als de meeste andere westerse talen, historisch beschouwd ten nauwste verbonden is met schriftelijkheid. Standaardisering en normering zijn primair met betrekking tot geschreven taal totstandgekomen. Je kan dit op verschillende manier bekijken. (1) Geschreven taal is veel stabieler dan gesproken taal, omwille van de lagere snelheid en de correctiemogelijkheden binnen geschreven t.o.v. gesproken taal. Stabiele geschreven taal is normeerbaar, onstabiele gesproken taal niet. (2) Een norm heeft maar zin als je die ook kan opleggen (ik denk aan het Groot Dictee), terwijl in gesproken taal onvermijdelijk (!) onvolkomenheden (om niet te zeggen fouten) binnensluipen. Op gesproken tekst (voor zover niet afgelezen) is meestal wel iets aan te merken (wat we daarom nog niet doen). (3) Je kan niets normeren zonder iets te schrijven, en dan ben je bezig met geschreven taal. Het is dus logisch dat de standaardtaal en geschreven taal "ten nauwste" (da's ook geen spreektaal…) met elkaar verbonden zijn.

[..]

2.3 Niet-standaardvariëteiten

Ik vraag mij af wat het verband is tussen de ANS (Algemene Nederlandse Spraakkunst) en de standaardtaal. Ik heb ooit verondersteld dat wat in de ANS staat kan beschouwd worden als standaardtaal, en de rest niet. Dat zou een bruikbaar criterium kunnen zijn, maar zolang dat zo niet duidelijk gesteld wordt (en ik heb dat nog nergens bevestigd gezien), wordt het allicht ook niet door iedereen toegepast, en dan klopt het allicht ook niet. Binnen het Nederlandse-taalgebied treffen we een hoge mate van variatie buiten de standaardtaal aan. De brede verscheidenheid van niet-standaardvariëteiten omvat naast de traditionele dialecten ook allerlei vormen van Nederlands die zich taalkundig gesproken bevinden in de ruimte tussen traditioneel dialect en standaardtaal. Al deze variëteiten spelen een belangrijke rol in het domein van de informele communicatie, en vormen de uitdrukking van regionale en sociale saamhorigheid.

Onder de niet-standaardvariëteiten van het Nederlands nemen de dialecten een prominente plaats in, vanwege hun lange geschiedenis, hun cultuurhistorische waarde, en de rol die ze spelen in de regionale communicatie, vooral buiten het publieke domein.

Dialecten zijn volwaardige taalsystemen, met een eigen grammatica en een eigen lexicon. Ik vrees dat ze zich hier grondig vergissen. Hier en daar zie je wel eens lokale taalkundigen een poging doen om een dialect te beschrijven (doorgaans beperkt zich dat tot een woordenboek), en telkens krijg je een product dat langs alle kanten bekritiseerd wordt (en dan hebben we het nog niet over grammatica gehad). Die dialecten vormen immers een continuum. Wie vertrouwd is met dorpsleven weet dat er in het volgende dorp, op nauwelijks een paar kilometer afstand, anders gesproken wordt (ooit van "stepzooker" gehoord?). Het Bilzers woordenboek is geen groot succes, omdat in elk van de dertien deelgemeenten van Bilzen haast niemand akkoord is met wat erin staat. Onderlinge verstaanbaarheid is weliswaar gegarandeerd, maar discussies ook. En dat fenomeen speelt ook op verschillende schalen. De Limburgse "dich" en "mich" zijn standaardtaal in Duitsland. Qua dialecten ligt er geen grens tussen Maastricht en Aken. Zelfs de Keulse karvalistengrondwet leest als Maaslands. Maar probeer daar iets van te beschrijven, en ieder heeft zijn eigen mening, net omdat er een standaard ontbreekt. Cultuurhistorische waarde, ja, maar volwaardige taalsystemen? Ammehoela.

[..]

Ook hier weer wijst het bestaan van taalvariatie op grote schaal erop dat taal meer doelen dient dan alleen maar een optimale communicatie in een uniforme taal. Taal is ook een sociaal verschijnsel dat een rol speelt bij groepsvorming, identiteit en nationaliteit. Ja, maar in welke richting? Taalvariatie ontstaat organisch, door ongecontroleerde processen. En een identiteit heb je, die kies je niet. Het idee dat je je taal kiest om je een identiteit aan te meten klopt dan niet. Wat wel kan is dat je om diverse redenen bij een bepaalde groep gaat horen, en vervolgens de taal van de groep aanneemt om begrepen en aanvaard te worden. Dus je groep bepaalt je taal, en niet omgekeerd. Het beleidsprobleem wordt veel groter als je dit omdraait. Blijkbaar een hardnekkig misverstand onder variatielinguïsten.

2.4 Taalvariatie en taalbeleid

[..]

Vanuit taalpolitiek perspectief hebben we te maken met een bepaald ideaal dat nagestreefd wordt: de eenheid van de standaardtaal in Nederland en België. Dit is dubbel: wordt één standaardtaal bedoeld voor Nederland, en één voor België, of een gemeenschappelijke? Dat uitgangspunt ligt ook in de geest van de doelstellingen van de Nederlandse Taalunie, al staat het nastreven van het ideaal van één gemeenschappelijke (dit is duidelijker) (laat staan uniforme) norm niet met zoveel woorden in het Taalunieverdrag. Taalpolitiek gezien is er derhalve sprake van een gemeenschappelijke norm zoals weerspiegeld (anders gezegd: gecodificeerd) in woordenboek, grammatica, uitspraakwoordenboek of uitspraakleer en spelling (waarvan alleen het laatste een wettelijke basis heeft, prescriptief is). Spelling kan hier verder buiten beschouwing blijven aangezien die louter conventioneel is.[4]

Vanuit (socio)linguïstisch perspectief hebben we daarentegen te maken met allerlei soorten variatie in (standaard)taalgebruik, die samenhangen met sociologische en culturele verschillen tussen delen van de bevolking (het verschil in (standaard)taalgebruik tussen Nederland en België is daar maar één, zij het prominent, voorbeeld van). Het sociolinguïstische standpunt gaat uit van de dynamiek van taal als een levend organisme dat zich aanpast aan veranderende omstandigheden en communicatieve behoeftenen van de wetenschap dat taal tevens een rol speelt in sociaal-culturele processen die te maken hebben met groepsvorming en identiteit. Zoals hoger gezegd: de groep bepaalt de taal, niet omgekeerd.

Het perspectief van waaruit men vertrekt heeft consequenties voor de beleidskeuzes ten aanzien van taalvariatie. Het blijft maar de vraag of taalvariatiebeleid zin heeft, vermits taalvariatie organisch werkt. En wat zou trouwens het doel zijn, variatie tegengaan of versterken? In een strikte toepassing van een op maximale eenheid gerichte taalpolitiek, waarbij variabiliteit als een ongewenste divergente kracht beschouwd wordt, zal het bevorderen van de toename van convergentie (vooral, maar niet uitsluitend in het formele domein) een belangrijk beleidsdoel zijn.

[Het perspectief dat uitgaat van variabiliteit als een natuurlijk fenomeen, zal veeleer leiden tot een niet-restrictief beleid waarin bijv. op het terrein van de verschillen tussen Nederland en België gestreefd wordt naar een principiële erkenning van het bestaansrecht van nationaal gebonden lexicale, fonologische en grammaticale kenmerken (varianten dus) en een gelijkwaardige behandeling van die varianten onder meer in de praktijk van de taalbeschrijving in woordenboeken, uitspraakwoordenboeken en grammatica's.] (69 woorden) (1) Een geografisch onderscheid is het enige dat kan werken, maar zelfs dan kan er sociale onrust ontstaan in de grensstreken, als een gemeenschappelijk gebruik in het ene land wordt erkend en in het andere niet. Hoe meer normering, hoe meer wrevel. (2) Deze paragraaf kan vervangen worden door [misschien moeten we een Vlaamse versie maken van het lexicon en de grammatica] (13 woorden, korting 81%); waarom moet dat zo moeilijk? Dit is ook een soort vlag- en ladingprobleem; een eenvoudige boodschap verpakt in een ingewikkelde zin.

In termen van normering kunnen de mogelijke perspectieven beschreven worden als een verschil tussen normgeving en normvorming. In het eerste geval wordt geprobeerd een bepaald gewenst resultaat (bijv. een uniforme standaardtaal) af te dwingen. Er wordt met andere woorden een norm opgelegd. In het tweede komen normen tot stand als het resultaat van gewoonlijk langdurige sociologische en psychologische processen. Sturing van boven af speelt hierbij slechts een beperkte rol. Dit is onzin. (1) Een belangrijk kenmerk van een norm is dat hij is vastgelegd. Taalgebruik kan door variatie en gewoontevorming gaan afwijken van de standaard, bv. ge/gij in Vlaanderen, maar dat wordt slechts een norm als één of andere autoriteit (bv. de Taalunie) bepaalt dat ge/gij in Vlaanderen de norm ís. (2) Het resultaat van organische processen (bv. de genoemde sociologische en psychologische) is nooit stabiel, en wat niet stabiel is kan geen norm zijn. Een gebruik dat men nu zou bestempelen als "gevormde" norm, kan na verloop van tijd weer veranderen. (3) Door de onvoorspelbaarheid van en meervoudige invloeden in organische processen is het onbegonnen werk om gevormde normen te willen definiëren. Eén bepaalde eruit lichten zou overeenkomen met een nieuwe standaard, en er kan maar één standaard zijn. (4) Bovendien zijn gewoonten in taalgebruik zelden of nooit geografisch af te lijnen, zodat elke "gevormde" norm altijd één of andere groep van taalgebruikers tegen het hoofd stoot. (5) Een gevormde norm zou altijd partieel zijn.

In feite is dit een jammerlijke paragraaf in deze 2003-versie van de visietekst, omdat die de basis lijkt te vormen voor de onzinnige wijzigingen in de 2019-versie (zie de tijdlijn van de hoofdtekst).

In werkelijkheid gaat het zoals gezegd niet om een absolute tegenstelling. Zowel spontane normvorming als normgeving spelen een rol bij taalpolitiek, in die zin dat het resultaat van spontane normvorming beschreven en daarmee gecodificeerd wordt (zie 2.2) (en daarmee vanzelf normgeving wordt) en die codificering weer van belang is voor de normgeving, bijv. ten behoeve van het onderwijs. Het gaat dus veeleer om het vinden van een goede balans. Twee normen naast elkaar, de ene "gegeven", de andere "gevormd", is niet werkbaar, zeker als in de gegeven norm (d.i. de standaardtaal) al variaties zitten qua gebruik (bv. formeel/informeel), want die zullen zonder meer vermengd worden met varaties in de gevormde norm.

3 Uitgangspunten voor taalvariatiebeleid

Op grond van de overwegingen die in hoofdstuk 2 beschreven zijn, neemt de Werkgroep het standpunt in dat het onderkennen van variatie en het accepteren van verschillen in de taal een belangrijk beleidsuitgangspunt zou moeten zijn voor overheidsorganen die zich met taalbeleid bezighouden zowel met betrekking tot de standaardtaal als met betrekking tot niet-standaardvariëteiten. Lijkt mij helemaal OK. Het onderkennen van variatie en het accepteren van verschillen is uiteraard belangrijk. Wat nog niet betekent dat niet-standaardvariëteiten normeerbaar zijn.

Ten aanzien van variatie binnen de standaardtaal is de Werkgroep van mening dat het de voorkeur verdient in het beleid ten aanzien van taalvariatie het accent vooral te leggen op normvorming in plaats van op normgeving. Waar komt dit vandaan?? Variatie binnen de standaardtaal door normvorming?? Dit is van de pot gerukt. Schaf dan de standaardtaal helemaal af. Ik kan alleen maar hopen dat het hier een drukfout betreft, en dat variatie buiten de standaardtaal bedoeld wordt. In dat geval zou ik mij kunnen voorstellen dat de socio- en psychologische processen organisch mogen verlopen, zonder normerende ingrepen (zie hoger).

De Werkgroep beseft dat variatiebeleid zich uit de aard der zaak weliswaar in belangrijke mate op de standaardvariëteiten van het Nederlands zal richten, maar ze is van mening dat beleid daar zeker niet toe beperkt mag blijven. Ook aan andere variëteiten, zoals dialecten, streektalen en etnolecten, dient aandacht besteed te worden. (1) Pogingen om dialecten te beschrijven (wat overigens (ongewenste?) normering inhoudt) hebben nog weinig of geen goede resultaten opgeleverd, omdat de sociologische en geografische variaties zo divers zijn, dat eensgezindheid over een beschrijving niet haalbaar is (wat dialectwoordenboekenschrijvers zullen bevestigen). In de praktijk heeft zowat elk dorp zijn dialect, terwijl je in veel dorpen niemand meer vindt die deze kan of wil beschrijven. Tegelijk is taalgebruik zowat het enige aspect waardoor mensen zich nog maatschappelijk kunnen bevestigen zonder commentaar te krijgen, en als de normering dan afwijkt van de perceptie (wat onvermijdelijk zal gebeuren) krijg je heibel. (2) Normvorming zou ertoe leiden dat fouten zoals noemen/heten gangbaar worden; er is nog altijd beleid nodig om te bepalen wat OK is.

Een punt waar het taalbeleid en taalvariatie elkaar raken, betreft de discussie over de politieke erkenning van regionale taalvariëteiten als 'streektaal'. De Werkgroep acht het bestaan van verschillende, naast elkaar staande, officiële standaarden in een klein taalgebied als dat van het Nederlands onwenselijk. Gelukkig maar.

In dit verband kan erop gewezen worden dat de Werkgroep achter het standpunt van de Raad en het Algemeen Secretariaat staat dat het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (Straatsburg, 5 november 1992)[5] niet bedoeld is voor het toekennen van een bijzondere status aan regiolecten of dialecten en dat de erkenning van het Nedersaksisch en het Limburgs als streektaal te betreuren is. Inderdaad. Je krijgt immers overlappingen tussen normen, wat nooit deugt.

Duidelijk zal zijn dat dat standpunt geenszins een depreciatie van regio- en dialecten inhoudt. Integendeel, de Werkgroep pleit voor een actief beleid dat gericht is op erkenning (OK) van zulke taalvariëteiten als gelijkwaardige (?) systemen met een eigen functionaliteit (?) en op ondersteuning van onderzoek om deze variëteiten beter in kaart te brengen (dat dreigt wel een zwart gat te zijn).

4 Adviezen

[..]

4.1 Adviezen ten aanzien van het Standaardnederlands

4.1.1 Statusplanning

Rekening houdend met de verschillende vormen van variatie die in 2.2 genoemd zijn, kan binnen het Standaardnederlands een onderscheid gemaakt worden tussen het Standaardnederlands dat in formele domeinen en in de schrijftaal wordt gebruikt, en het Standaardnederlands dat in meer informele domeinen wordt gebruikt, met name in de spreektaal. Naast een verschil tussen het formele en informele domein bestaat er een geografisch bepaald verschil tussen het Standaardnederlands in Nederland en het Standaardnederlands in België. Hiermee kunnen vier (sub)variëteiten van de standaardtaal onderscheiden worden:

  • formeel Nederlands Nederlands
  • formeel Belgisch Nederlands
  • informeel Nederlands Nederlands
  • informeel Belgisch Nederlands

De Werkgroep is van mening dat het bestaan en het bestaansrecht van deze vier vormen van de Nederlandse standaardtaal als maatschappelijk gegeven moeten worden beschouwd. Het begrip "vormen van de standaardtaal" is in feite al gevaarlijk op zich. Bovendien is onduidelijk hoe je omgaat met de overlappingen, die er zeker zijn, nl. tussen NN en BN, maar ook tussen formeel en informeel, waardoor je 3×3=9 combinaties krijgt i.p.v. 2×2=4, of nog veel meer, als je nog andere kenmerken mee beschouwt. In die zin is het wat vreemd om te spreken over het bestaansrecht van deze vier vormen. Ik kijk alvast uit naar meer duidelijkheid op dit vlak in de ANS.

Voor het Standaardnederlands van het formele domein adviseert de werkgroep om de tendens naar convergentie van de beide nationale variëteiten te bestendigen en waar mogelijk te versterken. Voor het Standaardnederlands van het informele domein bestaat er zoals gezegd een zekere tendens (?) tot divergentie. Nee, variatie is een organisch proces, dus divergentie is er altijd. De Werkgroep beschouwt deze divergentie als een natuurlijk gegeven (maar goed, want dat houd je toch niet tegen), en acht het niet realistisch om te streven naar een strakke uniformering (gelukkig maar). In dit verband kan gewezen worden op de taalpolitiek van o.a. de VRT, die een vlotte informele omgangstaal nastreeft, die weliswaar vrij is van duidelijke dialectkenmerken, maar zich ook onderscheidt van de formele standaardtaal in België en de informele standaardtaal in Nederland. Dit taalpolitieke standpunt is bij de openbare omroep vastgelegd in een Taalcharter, dat tevens fungeert als een taalgebruikshandleiding voor alle omroepmedewerkers.[6] Het verdient aanbeveling deze politiek te ondersteunen.

Wat betreft statusplanning adviseert de Werkgroep daarom het volgende:

  • acties gericht op het sensibiliseren van taalgebruikers voor het bestaan en de eigenheid van de verschillende standaardtaalvariëteiten, dat wil zeggen dat taalgebruikers er bewust van moeten worden gemaakt dat variatie een normaal, maar context- en situatiegebonden verschijnsel is; (wat nog niet betekent dat fouten als normale verschijnselen moeten getolereerd worden);
  • in het verlengde daarvan erkenning van de taalpolitieke en taalkundige gelijkwaardigheid van Nederlands Nederlands en Belgisch Nederlands;
  • acceptatie van het bestaan van verschillen tussen de formele en informele domeinen van de standaardtaal;
  • positieve attitudevorming ten aanzien van standaardtaalgebruik in het informele domein.

4.1.2 Corpusplanning

[..]

Wat betreft corpusplanning adviseert de Werkgroep daarom het volgende:

  • beschrijving van de verschillende facetten van de standaardtaal (!), rekening houdend met de in 4.1.1 onderscheiden standaardtaalvariëteiten;
  • bijhouden van de beschrijving door het opnemen van nieuwe algemeen gebruikte varianten in de standaardtaal (!);
  • het maken, bijhouden en verspreiden van een inventaris van verschillen tussen het Nederlands Nederlands en het Belgisch Nederlands;
  • inventarisatie van de bestaande leemtes in de beschrijving van de standaardtaal (!) en formuleren van prioriteiten bij de opvulling van de geconstateerde leemtes;
  • stimuleren van verder onderzoek van het standaardiseringsproces (?).

4.1.3 Acquisitieplanning

[..]

4.2 Adviezen ten aanzien van niet-standaardtalige variëteiten

4.2.1 Statusplanning

De Werkgroep is van mening dat niet-standaardvariëteiten van het Nederlands, en met name de dialecten (de tussentaal niet of minder?), op een positieve wijze benaderd moeten worden. Niet-standaardtalige variëteiten en standaardtaal zijn functioneel complementair: de eerste zijn voornamelijk gebonden aan informele situaties, terwijl formele en publieke situaties het gebruik van de standaardtaal veronderstellen. Een bewust en situationeel gedifferentieerd gebruik van beide variëteiten is een vorm van taalrijkdom.

De harmonieuze co-existentie van niet-standaardtalige variëteiten en standaardtaal impliceert geen pleidooi om de klok terug te draaien door ingrepen tot redding of herstel van het autochtone dialect. Wel vindt de Werkgroep dat de vooroordelen die tot negatieve beeldvorming leiden, uit de wereld geholpen moeten worden. Opvattingen als zou er in onze multimediale samenleving naast de standaardtaal geen plaats meer zijn voor het dialect, als zou dialect plat en ongepast zijn, als zou dialectgebruik bij de opvoeding een goede beheersing van de standaardtaal in de weg staan, missen elke wetenschappelijke grond, maar zijn niettemin ruim verspreid bij de bevolking. (1) Opvoeding in het dialect maakt een goede beheersing wél moeilijker, vermits de processen die het eerst in de hersenen geraken invloed hebben op nieuwe processen. (2) Een sector waar het gebruik van dialect onontbeerlijk is voor een kwaliteitsvolle dienstverlening is de thuisverpleging.

Tot een tolerante houding en een positieve attitude ten aanzien van niet-standaardvariëteiten van het Nederlands kan volgens de Werkgroep in belangrijke mate worden bijgedragen door de verspreiding via de media en het onderwijs van goed onderbouwde informatie over taalvariatie, over de functionaliteit van de niet-standaardtalige variëteiten en hun relatie tot de standaardtaal, over fenomenen als dialectverandering, regiolectisering, dialectverlies enz. Meer in het bijzonder adviseert de Werkgroep dat taalvariatie buiten de standaardtaal meer aandacht krijgt in het primair en voortgezet/secundair onderwijs. Wel eerder vaag, dit. Aandacht op welke manier? Respect (OK)? Acquisitie (niet OK)?

Verder is de Werkgroep van oordeel dat de waardering voor de dialecten bij het publiek zal toenemen als de overheid metterdaad laat blijken dat ze deze autochtone taalvariëteiten beschouwt als een belangrijk cultuurbezit, dat verdient geconserveerd te worden en waardig is om bestudeerd te worden. Moet dit? En hoe gaat de overheid dat laten blijken? Het gebruik van dialecten door de overheid (of door specifieke personen in publieke overheidsdienst) zal wrevel veroorzaken bij al die burgers die geholpen worden in een dialect dat niet het hunne is, en dat probleem neemt toe naarmate de standaardtaal als neutrale referentie minder aandacht krijgt. Anders gezegd: als de overheid het Standaardnederlands loslaat krijg je oorlog tussen dialecten; zonder leiding dreigt anarchie.

Ten aanzien van het beleid gericht op de formele status van niet-standaardtalige variëteiten van het Nederlands stelt de Werkgroep voor deze variëteiten niet te erkennen als 'regionale taal' krachtens het Europees Handvest. Hiermee schaart de Werkgroep zich achter het eerder door de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren ingenomen standpunt.[7]

Wat betreft statusplanning adviseert de Werkgroep daarom het volgende:

  • erkenning van de taalkundige gelijkwaardigheid (vaag; alleen standaardtaal kan genormeerd worden) van standaardtaal, dialecten en andere niet-standaardvariëteiten van het Nederlands;
  • erkenning van het belang van het bestaan van dialecten en andere niet-standaardvariëteiten als onderdeel van het cultureel erfgoed; (uiteraard)
  • bestrijding van vooroordelen met betrekking tot dialecten en andere taalvariëteiten; (nodig?; vooroordelen hebben de neiging om vanzelf uit te sterven)(behalve in sociale media);
  • positieve attitudevorming ten aanzien van het gebruik van niet-standaardtalige variëteiten in het informele domein; (oppassen daarmee; dit mag niet betekenen dat fouten als noemen/heten gemeengoed mogen worden);
  • stimulering van een positieve houding ten aanzien van niet-standaardvariëteiten via het onderwijs; (idem);
  • niet overgaan tot erkenning van taalvariëteiten van het Nederlands als 'regionale taal' krachtens het Europees Handvest

4.2.2 Corpusplanning

Degelijke descripties (beschrijvingen?) van de dialecten en andere niet-standaardtalige variëteiten in al hun aspecten zijn niet alleen onmisbare bronnen voor de theoretische en de historische taalwetenschap, ze bezitten ook een belangrijke sociaal-culturele waarde. Ze bezitten vooral een hoge curiositeitwaarde, gezien de weinige geslaagde pogingen tot beschrijving. Bovendien zou elke beleidsvormer moeten inzien dat beschrijving van alle variëteiten een onbegonnen taak is, en dat we daar bijgevolg beter niet aan beginnen (!). Op kleinere schaal laten we dit m.i. beter over aan heemkundige kringen.

Aan universiteiten en wetenschappelijke instellingen in Nederland en Vlaanderen lopen onder meer een aantal projecten die een grondige archivering van dialecten ambiëren (maar niet kunnen realiseren?), te weten atlas- en woordenboekprojecten, maar de financiering van die ondernemingen gebeurt tot op zekere hoogte onsystematisch (zoals de projecten zelf). Om de output van het inventariserend onderzoek bovendien maximaal te ontsluiten voor de wetenschap en voor het geïnteresseerde ruimere publiek, dienen zulke dialectgegevens geïntegreerd te worden in multi-raadpleegbare databanken, waarvan het beheer verzekerd wordt (begin er niet aan!). Voor de realisering van deze doelstellingen is naar de mening van de Werkgroep een degelijk gezamenlijk Nederlands-Vlaams institutioneel kader noodzakelijk (postjes?). Inventarisatie van niet-standaard talen zal altijd partieel zijn, en daardoor net dicriminatie veroorzaken.

Wat corpusplanning betreft adviseert de Werkgroep daarom het volgende:

  • positieve actie om initiatieven ter inventarisering en bestudering van de streektalen materieel mogelijk te maken;
  • het opzetten van een Nederlands-Vlaams institutioneel kader waarin variatieonderzoek op structurele basis kan plaatsvinden;
  • het opzetten van een wetenschappelijk verantwoorde en voor een gedifferentieerd publiek toegankelijke digitale database van niet-standaardvariëteiten van het Nederlands (dat hier anno 2021 nog steeds niets van te zien is, geeft al aan hoe ondoenbaar het is; we kunnen misschien eerst proberen de ANS in orde te krijgen).

4.3 Acties gericht op het publiek

Om de bovenstaande adviezen te concretiseren en bij de sprekers van het Nederlands bekend te maken, beveelt de Werkgroep de volgende acties aan:

  • het maken en doen uitzenden van radio- en televisiespots; (over? in welke taal?)
  • het laten verschijnen van 'advertenties' in de belangrijkste kranten en tijdschriften in Noord en Zuid; (over? in welke taal?)
  • het maken van een lespakket of een beeldverhaal dat gratis in het onderwijs verspreid zal worden; (enz.)
  • het maken van een bondige brochure die gratis verspreid zal worden in scholen, bibliotheken, gemeentehuizen en boekhandels;
  • het maken van een website die aan het Taalunieversum gekoppeld moet worden (het adres zal ook via de andere kanalen verspreid worden);
  • het verspreiden van brochures (en het bekendmaken van de website) in landen waar Nederlands als vreemde taal wordt onderwezen.

Er is zo te zien, en gelukkig maar, geen sprake van acquisitieplanning.

5 De rol van de Nederlandse Taalunie

[..]

Eindnoten

[..]

Taalkwestie