De techno-paniek om het sociale-mediagebruik – Een andere kant
Over sociale media is in deze blog al één en ander geschreven; zie bv. hier. De Groene Amsterdammer, dat/die :-) niet vies is van een grondige analyse, publiceerde enkele maanden geleden een artikel met de titel De techno-paniek om het sociale-mediagebruik. Dit leek niet direct te zullen gaan over sociale media, maar wel over de paniek daarover, wat meteen ook een standpunt leek in te houden: het gedoe zou paniek zijn, in plaats van een terechte bekommernis. Gezien de gebruikelijke diepgang van De Groene beloofde dit artikel eindelijk eens een visie tussen de negatieve kritiek op sociale media (die ik tussen haakjes nog steeds onderschrijf), en de sussende houding van diverse overheidsinstanties en Hoge Gezondheidsraden. Zie ook Sociale-mediaverbod (2). Ik fileer het artikel. Schuine tekst is brontekst, klein groen is mijn commentaar, vet groen (behalve titels) zijn koppelingen naar achtergrondinformatie. Enkele bedenkingen volgen in de epiloog. Spoiler alert: technopaniek is wel degelijk een terechte bekommernis; wie akkoord is kan dit artikel meteen overslaan.
Pas op: gevaarlijk terrein
Cyberpesten, sexting, overmatige schermtijd, de jeugd staat online aan veel bedreigingen bloot. Stel gewoon een leeftijdsgrens in – probleem opgelost? Begint al niet goed. Cyberpesten en sexting zijn inderdaad twee belangrijke fenomenen in de problematiek, maar schermtijd is van een ander niveau; gebrekkige aspectscheiding. Voor het beheer van de schermtijd zijn er al middelen: Google Family Link, Apple Schermtijd, Qustodio, Bark, OurPact…; controle over wat er op die schermen verschijnt is moeilijker. Of nog: schermtijd is wel een bekommernis, maar geen bedreiging, omdat de gebruiker die zelf in de hand heeft.
Eva Hofman, De Groene Amsterdammer, 08-06-2026
We kunnen ons niets ergers voorstellen dan dat de meest onschuldigen iets overkomt. Kronos at zijn eigen kinderen op, zoals de tijd uiteindelijk iedereen opeet (wat doet dat hier?), de boze fee vervloekte de baby Doornroosje (voor wie in sprookjes gelooft) en Herodes liet alle jongetjes in Bethlehem vermoorden (religieuze overlevering). Geen van deze figuren kwam daar goed mee weg. Ja zeg, als de tijd toch iedereen opeet…
Wie is toch de belangrijkste in het koninkrijk der hemelen? Klinkt een beetje sarcastisch. Jezus haalde er volgens Matteüs een kind bij en zette dat in het midden van zijn kring. Hij zei een heleboel (ach?), waaronder dat voor wie een kind zou doen struikelen het nog beter zou zijn als "een molensteen aan zijn hals gehangen was en hij in de diepte van de zee gezonken was". Wel een zware straf voor een struikeling. Anderzijds, probeer eens iemand een molensteen aan de hals te hangen, en hem dan in de zee te gooien…? Overlevering klopt niet altijd.
Tot zover het concept 'kind' als drager van alles wat wij als onschuldig beschouwen. De kindertijd zoals we die nu kennen, als min of meer separaat van de volwassen wereld, is een relatief nieuw begrip. Ah ja?? Wanneer is het onderscheid kind/volwassene dan zwart/wit geworden? Kinderen zijn kwetsbaar en onschuldig, en daardoor het onderwerp van angstvallige bescherming en paniek (overdreven; ik hoor weer sarcasme). Sinds pakweg anderhalve eeuw bestaat er zoiets als het burgerschap van het kind, waarin aparte rechten en wetten gelden voor de jongsten onder ons. De Wet op de kinderbescherming dateert van 1912. We bestuderen kindertijd als iets wat in fasen van ontwikkeling gebeurt, met bij elk stadium passend gedrag en passende behandeling.
Over de kindertijd maken we ons grote zorgen, schrijft David Buckingham in After the Death of Childhood (2000). De angst concentreert zich in recente decennia rond het mediagebruik van kinderen, waardoor ze dommer worden, gewelddadiger en seksueel gecorrumpeerd. Opnieuw overdrijving en sarcasme. In feite ben ik dit niet gewend van De Groene. De reactie van volwassenen is volgens Buckingham straffend: content moet aan banden gelegd worden, software moet worden geblokkeerd, we willen "Net Nanny's en Cyber Sitters" die het online gedrag van de kinderen in de gaten houden. Allemaal zodat de grenzen de kindertijd en volwassenheid niet vervagen (huh?), of, zoals Buckingham schrijft: "de autoriteit van volwassenen niet wordt ondermijnd" (huh?). Die laatste zin slaat m.i. nergens op. Verderop komen nog wel een paar rare kronkels. Hofman kan nochtans beter, bv. hier, over de AI-onzin.
Buckingham haalt Patricia Holland aan, die de wens van volwassenen om de kindertijd te definiëren, ziet als een poging van volwassenen om er grip op te krijgen. Geen grip op de kinderen, maar op onze eigen kindertijd, waarover we constant in de rouw zijn en die we steeds opnieuw uitvinden. Och arme zelf. Toch nog even: hij schreef dit 26 jaar geleden.
Een paar Nederlandse nieuwskoppen van het afgelopen jaar:
NOS, 2026: Socialemediaverbod Australië inspireert andere landen, maar effect nog beperkt
RTL, 2025: Vier op de vijf ouders willen socialmediaverbod tot 15 jaar
NRC, 2025: Ruim 1400 deskundigen roepen in brandbrief op tot smartphoneverbod voor kinderen jonger dan 14
Ouders, psychologen, docenten en beleidsmakers zijn bezorgd over het socialemediagebruik van kinderen. Begrijpelijk. Smartphones en de bijbehorende schermtijd krijgen de schuld van ongeveer elk probleem dat de jeugd teistert. Smartphones en schermtijd zijn nu net niet de elementen waar het over gaat; wel asociale media. Eenzaamheid, online radicalisering via fuiken zoals de manosphere, of mentale gezondheidscrises vanwege schoonheidsidealen. Overgewicht en een gebrek aan buitenspelen, toenemende seksualisering en juist weer afnemende bereidheid om seksueel te experimenteren.
Cyberpesten gebeurt met name op Instagram, TikTok en Snapchat, en op plekken waar de daders anonieme gebruikersnamen kunnen maken. Dáár zit een groot deel van het probleem. Kinderen filmen elkaar terwijl ze elkaar vernederen en delen die video's online. Complex geval.
Dan is er nog online seksueel misbruik. Het internet maakt het makkelijker dan ooit om naaktvideo's uit te wisselen, waaronder die op illegale wijze zijn gemaakt of verkregen. Het is makkelijker voor kwaadwillenden om anoniem te blijven, elkaar tips te geven, om in te spelen op de kwetsbaarheden van kinderen: hen te groomen, stalken en te isoleren. Het discours rond dit misbruik concentreert zich misschien onterecht rond meisjes. Sinds 2020 neemt het aantal jonge jongens die via Instagram seksueel worden afgeperst snel toe, volgens cijfers van het Amerikaanse National Center for Missing & Exploited Children. Het blijft een kat- en muisspel, steeds als er nieuwe manieren worden gevonden om daders op te sporen, komen zij met nieuwe manieren om onder de radar te blijven.
Je zou wel gek zijn om te zeggen dat kinderen online niet beschermd hoeven te worden. Waarom doen we het dan niet? Hoe stroperig en reactief wetgeving rond technologie kan zijn, zo vlug en unaniem wordt dan ook gereageerd wanneer er kinderen in het spel zijn. Cyberpesten is in Frankrijk al sinds 2022 illegaal. En neem het Digitale Omnibus-pakket, een voornemen van de Europese Commissie om digitale en AI-wetgeving terug te dringen. Dat controversiële pakket werd afgelopen voorjaar aangenomen door het Europese Parlement, met als voorwaarde dat er per direct een verbod zou komen op AI-apps die mensen – onder wie minderjarigen – konden 'uitkleden'. Dat verbod is er.
De Australische minimumleeftijd van zestien jaar voor sociale media die sinds 2025 geldt, vindt internationaal gehoor. Zie Sociale-mediaverbod (2). Nederland adviseert een minimumleeftijd van vijftien jaar, en in het Europese Parlement wordt opgeroepen tot een socialemediaverbod voor kinderen tot zestien jaar oud. Dat terwijl een algemene leeftijdsbegrenzing volgens critici niet de beste oplossing is. Voor alles heb je critici. Zo vreest de internationale denktank Article 19 dat een leeftijdgrens de ontwikkeling van digitale vaardigheden juist zou belemmeren, in plaats van kinderen te leren op een goede manier om te gaan met online risico's. (1) Alsof die 'digitale vaardigheden' op sociale media belangrijker zijn dan directe ontmoetingen tussen levende mensen, ook al zijn die niet altijd vrij van risico's. (2) Ook typisch voor basale fouten: als gevolg van de verwarring vind je voor elk standpunt gemakkelijk zowel voor- als tegenstanders; doorgaans worden diegene met de meest gewenste visie aan het woord gelaten.
Tegen het geluid "bescherm de kinderen" is weinig in te brengen. Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind uit 1989 is het meest ondertekende en geratificeerde mensenrechtenverdrag ter wereld. Wil je iets gedaan krijgen, politiek of anders, zeg dan dat de kinderen in gevaar zijn. Nog maar eens dat thema.
Wat betreft sociale media klinkt dat alarm zo luid dat het de vraag overstemt hoe effectief wij eigenlijk reageren. Paniek werkt verblindend, en morele paniek al helemaal. Wanneer een maatschappij halsoverkop de kinderen wil beschermen tegen de gevaren van sociale media, bijvoorbeeld door die af te sluiten voor iedereen die geen paspoort met geldige geboortedatum kan overleggen, negeert ze andere risico's. Bijvoorbeeld dat bij een leeftijdsgrens, een tech-platform aan alle gebruikers zal moeten vragen zich te identificeren. De rechten van het kind omvatten ook het recht tot informatie en op privacy. Het surveilleren van wat kinderen online opzoeken, waar ze zich bevinden en wat ze zeggen, laat zich daarmee maar moeilijk verenigen. Laten we nu eens wel wezen. (1) Dat privacy-argument wordt te gemakkelijk erbij gesleurd om een verbod af te keuren. Ik vermoed overigens dat de techsector zelf dat argument van harte ondersteunt, bv. door dat "technisch moeilijk uitvoerbaar" te verklaren. Als er geld mee te verdienen valt kan technisch alles in een wip. (2) Criminelen, roofdieren en haatzaaiers maken uiteraard gretig gebruik van die privacy. Maar waarom zou een weldenkend mens iets anoniem op internet moeten kunnen publiceren?
In een studie van de Universiteit van Sydney naar krantenkoppen voorafgaand aan het socialemediaverbod concluderen onderzoekers dat er sprake was van morele paniek, en wel speciaal gericht op nieuwe media: techno-paniek. Morele paniek is een sociologisch begrip dat beschrijft hoe een samenleving overdreven angst of verontwaardiging ontwikkelt over een waargenomen bedreiging voor haar waarden, normen of veiligheid. Die reactie is disproportioneel in verhouding tot het werkelijke gevaar en wordt typisch aangewakkerd door media, autoriteiten of belangengroepen. (Copilot) Deze paniek beslaat volgens de onderzoekers zorgen rond cyberpesten, sexting, de beschikbaarheid van porno en overmatige schermtijd (weer dat non-argument; de controle over schermtijd ligt bij de gebruiker, de controle over bagger ligt bij de producent). Maar de aard van die digitale schade (?) is in de onderzochte krantenkoppen niet gespecificeerd. In plaats daarvan wordt gebruik gemaakt van 'hyperbolische' en 'sensationele' taal. Sociale media zijn een beerput of de hel, de grote techbedrijven zijn iets waartegen de kindertijd beschermd moet worden. Toch voor het kwade deel. Niet soms? In de koppen ligt volgens de onderzoekers een dreiging besloten, die toewerkt naar een momentum. De paniek escaleert en wint aan kracht.
De werking van morele paniek wordt hier wel duidelijk gemaakt. Het lijkt de bedoeling van dit artikel om daarmee aan te tonen dat we ons zorgen maken om niets. Maar als er werkelijk een probleem is, dan is morele paniek wel begrijpelijk, zeker (1) als het inderdaad gaat om kinderen, die onze toekomst in grote mate mee bepalen, en (2) de tegenpartij een te machtige sector is die zich niets laat zeggen door publiek beleid, en die veel middelen uit de samenlevingen zuigt.
Zo gaat het wel vaker bij morele paniek, schrijven ze. Dat was ook bij de opkomst van rockmuziek in de jaren zestig. Iedereen is het erover eens dat er 'iets gedaan' moet worden, de bezorgdheid raakt uit verhouding met de veronderstelde schade, en er ontstaat paniek. Meestal, schrijven de onderzoekers, ligt daaraan politieke agenda-setting ten grondslag.
Het wereldwijde web is net zomin kindvriendelijk als de wijde wereld zelf. Misschien heeft het wereldwijde web zelf de wijde wereld een pak onvriendelijker gemaakt, door het spuien van bagger te vereenvoudigen. Dat kan elke millennial bevestigen. De eerste generatie die opgroeide met het internet is nu tussen de 30 en 45 jaar oud, en dus deels zélf ouder van opgroeiende kinderen. Qua kritische blik moet je daar dus niet te veel van verwachten. Het vroege internet waar zij op surften was een interessant soort wilde westen. Zonder sociale media was het een stuk minder verslavend en had je er weinig last van fuiken. Maar je kon er ook zonder supervisie de meest kindonvriendelijke dingen tegenkomen, van extreem gewelddadige Happy Tree Friends-kindercartoons tot masturberende vreemden op Chatroulette. Je moest er wel naar zoeken; via asociale media krijg je ze voorgeschoteld. Met flink wat minder scrupules over privacy (die immers nog niet zo sterk bedreigd werd) stond na een avondje stappen een album vol dronken foto's op Facebook. Cyberpesten gebeurde via msn.
Een belangrijk argument voor wie kinderen online wil houden, komt uit begin van dit millennium: je vond er plekken waar je als queer kind in aanraking kon komen met gemeenschappen die je aanmoedigden jezelf te zijn (ik denk niet dat de wereld in de paar vorige eeuwen slechter geworden is van de richtlijnen die er toen wél nog waren; vrijheid leidt niet tot geluk als je niet weet waar je heen wil), blogs waar je kon experimenteren met versies van jezelf, websites waar je anoniem fouten kon maken (hoezo? waarom moet dat anoniem?), online ruimtes waar het anders was dan in je fysieke omgeving (met de bijbehorende onzekerheden). Dat alles zonder dat er iemand meekeek. De zogenaamde positieve kanten. Maar "zonder dat iemand meekeek" valt toch niet te rijmen met internet, waar iedereen meekijkt? Ik volg niet.
Hoewel het internet sindsdien verschillende evoluties heeft doorgemaakt, komt uit onderzoek een gemengd beeld naar voren: ondanks dat kinderen inderdaad worden blootgesteld aan schadelijke content (waar je echt niet content van wordt), zien in het bijzonder sociaal gemarginaliseerde kinderen en adolescenten hun online leven als essentieel. Oeps; die zag ik niet aankomen. Is het dan voor gemarginaliseerden en adolescenten dat er aan de 'schadelijke content' zo weinig wordt gedaan? En is internet dan het beste middel om gemarginaliseerden (of minderheidsgroepen, om het wat vriendelijker uit te drukken) uit hun isolement te halen? Ik heb mijn twijfels.
Het bestuderen van jongerencultuur begon met de studie van jongens, op straat. In de jaren zeventig kwam daar de analyse van bedroom culture bij, over dat wat minder uithuizige tienermeisjes in de privacy van hun eigen slaapkamer bezighield. Vanuit hun veilige thuisruimte, maakten sommige tieners eigen zines: geknipt en geplakte tijdschriften die zij via de post verspreidden, als een soort ondergronds netwerk speciaal gericht op hun eigen subcultuur, hun eigen maatschappijkritiek. Hier kan ik niet meespreken. Met de opkomst van het internet verplaatste zine-cultuur zich naar blogcultuur (hier wel :-), en werd uiteindelijk juist weer mainstream via sociale media, maar helemaal verdwenen ze nooit. Hoor ik ook nog een beetje bij de jongeren…
Een van de zines die het subversieve camp-gehalte van die eerste decennia probeert terug te claimen, is Polyester. Hierin beschrijft Isobel Slocombe de cultuur van het dagboek, een online esthetiek van washi-tape en gelpennen die volgens haar symbool staat voor een modern verlangen naar privacy: "Het idee dat je een privé-zelf kunt kopen, doet me denken aan die knalroze plastic elektronische dagboeken uit de jaren 2000. Als kind verlangde ik naar het wachtwoord op het toetsenbord en de onzichtbare inkt die beloofde dat je geheimen veilig waren. (…) Het idee dat je een innerlijk leven kon hebben én houden. Die gedachte gaf me een volwassen gevoel, bracht me dichter bij een echte, volwassen vrouw te zijn". Ieder zijn meug.
Dat idee lijkt haaks te staan op de wens kinderen online te beschermen. Zie ik niet. Eigen geheimpjes hebben is iets typisch voor kinderen (en dat gaat er ook niet meer uit); het privacy-aspect is duidelijk. Alternatieven voor de leeftijdsgrens (op sociale media) zijn digitale veiligheidsgordels, zoals het inbouwen van een achterdeurtje om de gesprekken tussen kinderen te kunnen controleren op vervelende taal of ongenode gasten. Maar dít is iets heel anders. Als je je dagboek als privé beschouwt, wil je niet dat iemand anders meekijkt; een dagboek openmaken is een inbreuk op de privacy. Gesprekken tussen kinderen controleren op ongenode gasten is niet vergelijkbaar; in een dagboek heb je immers geen ongenode gasten. Deze paragraaf vergelijkt de geborgenheid van een dagboek met online opgedrongen 'schadelijke content'. Wat heeft Hofman hiermee voor??
Computerspelletjes als Fortnite en Roblox laten AI-systemen los op hun chattende gamers. Fortnite hanteert een systeem waarbij chats in segmenten van vijf minuten worden opgenomen, waardoor moderators concreet bewijs hebben wanneer spelers aangeven dat zij tijdens zo'n chat zijn lastiggevallen. Geen idee wat de bedoeling hiervan is.
AI-systemen hebben veel data nodig om goed te kunnen werken. Om een systeem te trainen dat het praat- en surfgedrag van kinderen in de gaten houdt (dit gaat verder op dat achterdeurtje van hierboven), moet een bedrijf het voeden door gegevens over kinderen te verzamelen in een database. Dat brengt ze (die kinderen) in aanraking met een minder direct, maar daardoor niet minder problematisch, tech-gevaar: datahonger (het openbreken van het dagboek; nu ben ik mee). Waar gegevens worden opgeslagen, kunnen die ook lekken. Klopt, jammer genoeg. Datalekken zijn schering en inslag. En geloof maar niet dat ze allemaal gemeld worden, laat staan gedetecteerd. Zo beschreef Wired begin dit jaar hoe door een lek bij AI-bedrijf Bondu, dat pratende knuffels fabriceert, vijftigduizend persoonlijke gesprekken met kinderen beschikbaar werden voor iedereen met een Gmail-account (omdat Bondu's beveiliging niet deugde).
In 1977 kreeg de Amerikaanse zangeres en conservatieve activist Anita Bryant een fruittaart in het gezicht geduwd omdat zij opriep 'de kinderen te beschermen' tegen homoseksuelen, waarop zij zich huilend en biddend tot de camera's richtte. In de jaren tachtig adverteerden het CDA (Christen-Democratisch Appél) en de SGP (Staatkundig Gereformeerde Partij) met posters waarop stond 'geen homoos (progressieve spelling :-) in het onderwijs, geen homoos in overheidsdienst, geen homoos op de openbare weg'. De hoofdleus: 'Poten af van onze kinderen'. Lijkt mij te kort door de bocht.
'Save the children' is niet alleen een uitroep, maar ook een vrijwilligersorganisatie, een van de oudste (Engeland 1919), die zich in eerste instantie richtte op de veiligheid van kinderen na de Eerste Wereldoorlog. De huidige campagnes van de organisatie spelen in op het pathos van de scrollende medemens met beelden van kinderen die zich in oorlogsgebieden bevinden. De naam is ook hun strijdkreet, verspreid via hashtags.
En juist daar ging het in 2020 mis. Terwijl frustratie en angst rond de coronacrisis wereldwijd een weg baanden voor allerhande complottheorieën, probeerden grote sociale media zoals Facebook en toen nog Twitter de aanwezigheid van QAnon in te perken omdat het nepnieuws verspreidt over kinderhandel door een elite uit Hollywood en de Amerikaanse Democratische partij. Pagina's en hashtags die aan QAnon waren gelinkt, werden geblokkeerd of offline gehaald. En toch, zo beschrijft een Amerikaanse PhD-student in september dat jaar, groeiden groepen die zich bezighielden met zorgen rond kinderhandel, met drieduizend procent. En op al die groepen was vooral QAnon-content te vinden.
Wat bleek: de vage interpretatie van de oproep 'Save the children' kwam QAnon bijzonder goed uit. Die was door de platforms onmogelijk te modereren omdat het niet vast te stellen is wie zich echt zorgen maakt om kinderen, en wie van die zorgen misbruik maakt om misinformatie te verspreiden. Zo kon QAnon niet alleen doorgaan met het verspreiden van bizarre theorieën, maar fungeerde de hashtag ook als een opstapje voor de bezorgde burger om in het konijnenhol te tuimelen.
Wel moeilijke paragrafen hier, die drie vorige; een logischer volgorde was wel nuttig geweest. Het komt erop neer dat QAnon nepnieuws over de Democraten wilde verspreiden, en daarbij de slogan "Save the children" gebruikte om te ontsnappen aan de censuur tegen QAnon van Facebook en Twitter. Voor Hofman nóg een bevestiging van het belang dat we hechten aan de bescherming van kinderen. Dit punt is intussen wel duidelijk; zou er ook nog iets nuttig uit volgen? Hoe dan ook, dit is uiteraard een flagrant vlag-en-ladingprobleem. Onder de vlag van kinderbescherming worden complottheorieën verspreid; grover kan nauwelijks.
Nostalgie ligt op de loer, het verwijt van betutteling ligt binnen handbereik. Vroeger was alles beter: toen mocht je als kind zonder toezicht op straat spelen, kreeg je voor het slapengaan een beetje rum in de melk, nam je snoep aan van vreemden en je zat in je eentje op zolder te computeren. De nachtmerries die je van sommige filmpjes kreeg, die hoorden er gewoon bij. De wereld van toen was kleiner en veiliger, on- en offline.
Maar bij de techno-paniek rond sociale media gaat het verwijt van betutteling niet helemaal op. Weinig critici van een leeftijdsgrens trekken namelijk in twijfel dat er 'iets' moet gebeuren, ook zij maken zich veelal zorgen om de effecten van grote platforms op het welzijn van kinderen. Maar door het instellen van een leeftijdsgrens zou de overheid haasje-over springen over de problemen die juist moeten worden aangepakt, over de verantwoordelijkheid van techbedrijven, en over het publieke debat dat ten grondslag ligt aan het vaststellen van een voor iedereen leefbaar internet: een leeftijdsgrens is lui. Krijg nu iets. (1) De uitvaardiging van een leeftijdgrens is net heel eenvoudig, vergeleken met de kost van de alternatieven, en los van de effectiviteit. Dat 'lui' noemen vind ik kwaadwillig. (2) Partijen genoeg die pleiten voor het 'aanpakken' van de problemen, en het 'verantwoordelijk stellen' van techbedrijven, maar er gebeurt niks!
Kinderen lopen online echte risico's, schreef de NGO Article 19 in reactie op een voorgestelde leeftijdsgrens in het Verenigd Koninkrijk. Maar die risico's worden veroorzaakt door hoe platforms gebouwd zijn, hoe zij opereren en hoe er geld aan wordt verdiend, niet simpelweg doordat kinderen online zijn. De groep vreest dat het verbannen van jonge mensen van bijvoorbeeld Instagram, het platform ontslaat van de plicht om de app beter te maken voor alle mensen. Is iets van, maar de beide staan eerder los van elkaar: een ban voor de jeugd neemt niets weg van de bekommernis omtrent de invloed op volwassenen, maar beschermt wel de jeugd. Waarom zou je dan in 's hemelsnaam die bescherming door een verbod uitstellen voor een alternatief dat veel complexer is?
Volgens de onderzoekers uit Australië zorgt de morele paniek voor een verschuiving van macht (naar?) die gemakkelijk tot misbruik kan leiden. Zo kan het opvragen van leeftijdsverificatie juist grenzen opleggen aan de privacy en vrijheid van meningsuiting van alle internetgebruikers, en jonge mensen verplichten om juist nog meer gevoelige gegevens aan grote techbedrijven te overhandigen. Quatsch. Opnieuw dat privacy-aspect van leeftijdsverificatie. Welk kind van 13+ zou zijn leeftijd niet (zelf) willen of (van de ouders) mogen delen, als het erom gaat toegang te krijgen tot een sociaal medium? Het zijn de roofdieren die een gevaar vormen, niet die jongeren.
Boven dit alles hangt de vraag hoe je kinderen wil leren in de wereld te staan. In Polyester beschrijft Morgan Carey de populariteit van spionnen-kinderseries zoals Spy Kids, Kim Possible en Totally Spies onder millennials aan het begin van deze eeuw. Die verhoudt ze tot het destijds opkomende internet en de introductie van smart home-technologie, zoals de babyfoon.
De hype rond spionnen en gadgets leidde volgens haar af van de geboorte van het surveillancekapitalisme. "Terwijl wij van het internet leerden, leerde de overheid van ons, en het gedeelde optimisme over tech bereidde ons voor op een leven in een eeuwige surveillance-staat." Millennials is vanaf hun kindertijd bijgebracht dat zij hun vrijheid en privacy moeten opgeven voor de illusie van veiligheid en zekerheid, denkt ze. 'We speelden spionnetje, maar eindigden als doelwit.'
Bij elke techno-paniek, of het nou gaat om de radio, de televisie, de huiscomputer of de smartphone, komen weer dezelfde wijsheden naar boven. Namelijk dat er geen quick fix is, dat het voor ouders en scholen hoe dan ook een goed idee is om betrokken te zijn bij de media die een kind gebruikt. Wat niet "meelezen met alle berichten" betekent, maar juist praten over wat er gezegd is. Zo voorkom je dat paniek de sociale verhoudingen herschrijft tussen volwassene en kind, naar beschermer en beschermde. Hoezo, 'herschrijven' naar beschermer en beschermde? Wat is er nu weer mis met ouders die hun kinderen beschermen? Dat sociale paniek het idee van beschermer en beschermde versterkt, daar kan ik mij iets bij voorstellen, maar dat verandert niets aan de normale sociale verhouding van beschermende ouders en beschermde kinderen. Ik begrijp ook dat deze paragraaf een verband wil leggen tussen de technopaniek, waar het artikel over gaat, en "bescherm de kinderen" als de rode draad. Maar ik vind niet dat het lukt.
Als volwassene weet je alles van de gevaren van de wereld, van corruptie en criminaliteit, van pijn en van spijt. Je zag verkeersongelukken of engerds die hun pik uit hun broek haalden. Je weet hoe een blauw oog voelt en hoe een scheldkanonnade klinkt. Je zit weleens 's avonds een paar uur op de bank te scrollen omdat je te moe bent om naar bed te gaan, en dan zie je op je telefoon oorlog, en nieuws over vreselijk kindermisbruik.
In zulke gevallen is het niet zo gek om de periode te idealiseren voordat je van al het kwaad in de wereld wist. Is het dan niet heel logisch dat je denkt: hier ga ik mijn kinderen zo lang mogelijk tegen beschermen? Denk je in zo'n geval als millennial-ouder niet: ik wou dat iemand mij hiertegen had beschermd? Mogelijk, maar waarom niet? Toch begrijp ik nog altijd niet wat Hofman hiermee wil zeggen.
De kindertijd is de meest gereguleerde periode in iemands leven, schrijft Nikolas Rose in Governing the Soul (1999). Wellicht is die tijd bovendien ons best bewaakte heiligdom. Esoterie. Een kind wordt blanco geboren (ook al komen ze in alle kleuren) en het is aan ons volwassenen om dat zo lang mogelijk zo te houden. We geven vage antwoorden op vroegwijze vragen, we bliepen scheldwoorden weg uit popliedjes en werpen voor we naar een bioscoopfilm gaan een blik op de Kijkwijzer (onder het motto "bescherm de kinderen"). Dat is hoe we onze kinderen beschermen tegen de corrumpering van hun ziel, of tegen het doorleven van stadia waar ze wat ons betreft nog niet klaar voor zijn. Voor onze kinderen geen boze woorden, geweld of vrijende voetjes.
(Enerzijds) Je concludeert dat kinderen niets op het internet hebben te zoeken. In dat geval laat je je kind niet in live chatrooms bij het gamen, niet op sociale media, en niet figureren als passieve consument van dat wat het algoritme – dat weinig acht slaat op onschuld – in petto heeft. (Anderzijds) Maar dat zou voorbijgaan aan de ongemakkelijke feiten, zoals dat het thuis en offline voor veel kinderen helemaal niet veiliger is. Wat heeft dát er nu weer mee te maken? Of dat privacy onderdeel zou moeten zijn van veiligheid, en niet tegenovergesteld eraan. Ik begrijp het niet. En dat een kind leert hoe het zijn grenzen bewaakt, door zich soms even op gevaarlijk terrein te begeven, en er dan over te praten. Mens toch; alsof kinderen dat kunnen.
Epiloog
De kern van het betoog staat op zowat 1/3: Tegen het geluid "bescherm de kinderen" is weinig in te brengen. Dat idee wordt in de hele tekst in alle mogelijke geuren en kleuren uitgewerkt. Anderzijds is in vele paragrafen, zo niet de meeste, niet bepaald duidelijk of Hofman een standpunt wil innemen, en zo ja welk. Het resultaat is een tekst waar je bij een gewone lezing suf van wordt. Jammer is dat ik na de analyse niet veel wijzer ben geworden; moet ik ze dan wel publiceren?
Misschien toch maar. Volgens mij probeert Hofman hier aan te tonen dat we overdrijven met kritiek op sociale media, omdat we onbewust gedreven worden door onze neiging om kinderen te beschermen. Ze stelt dat niet zo direct, maar uit haar tekst kan ik weinig anders opmaken. Tegelijk zit haar betoog vol hobbels en valkuilen, wat m.i. de waarde ervan serieus beknot. Daarom ben ik zelf minder geneigd haar bedekte kritiek op technopaniek serieus te nemen. Rappe conclusie: technopaniek is misschien wél terecht.
