The Economist vs. Daron Acemoglu

Long Read — The Economist versus Acemoglu: wie zal de volgende wereldorde besturen?

Ik verwees onlangs naar dit artikel in een bijwerking van A.I. in het vizier, origineel daterend van 07-11-2024, en presenteer het hier als achtergrondartikel. De vertaling is gemaakt met DeepL, en hier en daar bijgeschaafd en voorzien van commentaar (wat niet betekent dat ik alles begrijp). Persoonlijk vind ik dit artikel bijzonder interessant, omdat het economische en sociale toestanden en mechanismen beschrijft en verklaart op een begrijpelijke en samenhangende manier, en een helikoptervisie geeft van evoluties en effecten die je wel fragmentair constateert in diverse media, maar niet eenvoudig kan duiden omdat een kader ontbreekt. Wel een beetje jammer dat de tekst even moeilijk leest als mijn vorige zin, ook al omdat de auteur, econoom Ibrahim Öztürk, allerlei constructies gebruikt om geen beschuldigingen te moeten uiten. Zijn voorzichtige bewoordingen bevatten niettemin wel een hoopgevende boodschap; de kritiek van The Economist op Daron Acemoglu is daarbij vooral een handige aanleiding. Of het allemaal uitdraait zoals Öztürk dat ziet is een ander verhaal; zijn visie lijkt mij in elk geval een positieve bijdrage aan een verbeterde wereldorde, die door beleidsmakers overal ter wereld (en vooral neoliberalen) zou mogen overdacht worden. In andere blogartikelen wijs ik regelmatig naar neoliberalisme als oorzaak van veel wereldproblemen; dit artikel bevestigt die opinie, maar geeft ook een ruimer kader waarin ze past.

Professor Ibrahim Öztürk onderzoekt de diepere politieke economie achter de recente kritiek van The Economist op Nobelprijswinnaar Daron Acemoglu, en stelt dat het geschil veel verder reikt dan meningsverschillen over institutionele theorie of de productiviteit van AI. Hij plaatst de controverse in de context van een systemische crisis die wordt gekenmerkt door ongelijkheid, verzwakte arbeidsmarktposities, technologische concentratie, afnemend bestuursvermogen en de uitholling van de sociale fundamenten van de liberale democratie. Op basis van Acemoglu en met verwijzingen naar Polanyi, Rodrik, Stiglitz, Rawls en Piketty betoogt professor Öztürk dat technologische vooruitgang inherent politiek is: instellingen en macht bepalen wie innovatie aanstuurt en de vruchten ervan plukt. In de commentaar wordt gesteld dat Acemoglu's belangrijkste stelling is dat markten de machtsconcentraties die zij zelf hebben gecreëerd, niet kunnen beteugelen (wat o.m. wordt aangetoond door de absurd gigantische investeringen door Big Tech in A.I.), en wordt de vraag gesteld of de komende systemische reset (ach zo? wanneer?) daadwerkelijk tot een herverdeling van macht zal leiden, of dat deze slechts de bestaande winnaars zal reproduceren binnen een nieuwe institutionele regeling (veel kans).

Ibrahim Öztürk, ECPS, 21-08-2026

Misschien toch even Öztürk en zijn "systemic reset" introduceren (m.b.v. ChatGPT) – Met "coming systemic reset" bedoelt Öztürk dat het neoliberale economische model van de afgelopen veertig jaar (gebaseerd op globalisering, deregulering, vrijhandel en een relatief beperkte rol van de staat) zijn grenzen heeft bereikt en plaatsmaakt voor een nieuw economisch en politiek evenwicht. Staten zullen opnieuw actiever ingrijpen, strategische sectoren beschermen, markten sterker reguleren en meer nadruk leggen op economische veiligheid, sociale gelijkheid en veerkracht. Volgens Öztürk is dit echter geen automatische overgang naar een beter systeem: dezelfde crisis kan ook leiden tot populisme, machtsconcentratie en verzwakking van democratische instituties. De "reset" gaat dus uiteindelijk over een nieuwe verhouding tussen markt, staat en samenleving. Wat Öztürk verwacht ziet er interessant uit: strategische overheidsinterventie, bescherming van essentiële sectoren, industriële politiek, minder naïef vertrouwen in onbeperkte globalisering, regulering van grote ondernemingen en financiële markten, meer aandacht voor verdeling en sociale zekerheid, economische veiligheid naast economische efficiëntie, en mogelijk meer nationale/regionale autonomie. Lijkt mij inderdaad wat de wereld kan gebruiken. Nu afwachten of dit meer is dan wishful thinking van een grijze econoom. Meer weten? Vraag een AI-tool naar de betekenis van de "coming systemic reset" van Ibrahim Öztürk (of Ozturk; in het Engels worden umlauten blijkbaar weggelaten), en houdt rekening met de beperkte betrouwbaarheid.

De aanval van The Economist op Nobelprijswinnaar voor economie Daron Acemoglu is meer dan een academisch geschil. Het legt een diepere strijd bloot over de vraag wie de technologische veranderingen zal sturen, wie de kosten van systeemhervormingen zal dragen (die met het geld, mag ik hopen) en of de liberale democratie geconcentreerde economische macht in toom kan houden (wat momenteel met Big Tech niet het geval lijkt te zijn). Acemoglu's echte 'misdaad' is niet zijn pessimisme. Het is zijn standpunt dat technologische vooruitgang een politieke keuze is, dat de liberale democratie niet kan overleven zonder gedeelde welvaart, en dat markten de machtsconcentraties die zij zelf hebben gecreëerd niet in toom kunnen houden. Het geschil reikt daarom verder dan één econoom of één omstreden schatting. Het gaat erom of de komende systeemhervorming zowel macht als verliezen zal herverdelen, of dat de kaarten slechts opnieuw worden geschud, terwijl het eigendom van de tafel in dezelfde handen blijft. Bedenk nog eens dat dit artikel gepubliceerd is op de website van het European Center for Populism Studies. Een alternatief voor hervormingen is dat populisme de bovenhand haalt, in Europa en elders.

De politieke economie achter de controverse rond Acemoglu

Uit steeds meer onderzoek blijkt dat de huidige crisis van de liberale democratie niet uitsluitend kan worden verklaard door de persoonlijkheden van populistische leiders of de vermeende irrationaliteit (!) van hun aanhangers. De diepere oorzaken liggen in systemische verstoringen die grotendeels worden veroorzaakt door het bedrijfskapitalisme van de neoliberale (!!) Washington-consensus, die gepaard ging met ongereguleerde hyperglobalisering, toenemende ongelijkheid, verzwakte arbeidsmarkten, financiële instabiliteit, regionaal verval, technologische concentratie en het afnemende vermogen van gekozen regeringen om burgers te beschermen tegen schokken van buitenaf. Neoliberalisme is door de Washington-consensus min of meer bovengronds gekomen.

Deze interpretatie maakt deel uit van een omvangrijke traditie binnen de politieke economie. Karl Polanyi stelde dat pogingen om markten los te koppelen van de samenleving uiteindelijk een beschermende tegenbeweging uitlokken. Maar die tegenbeweging hoeft niet altijd democratisch of progressief te zijn. Als legitieme democratische instellingen geen sociale bescherming kunnen bieden, kunnen nationalisme, protectionisme en autoritair populisme die wel bieden.

Dani Rodrik voorzag op vergelijkbare wijze dat vérgaande economische globalisering een politieke terugslag zou uitlokken. Handel, kapitaalmobiliteit en mondiale productienetwerken leverden weliswaar totale voordelen op, maar de verliezen waren geografisch geconcentreerd (lageloonlanden), sociaal hardnekkig (permanente sociale nadelen) en onvoldoende gecompenseerd (betaald). Volgens Rodrik lag het probleem niet alleen bij de globalisering, maar bij de „hyperglobalisering": de ondergeschiktheid van binnenlandse economische en sociale regelingen aan de eisen van internationale markten. Individuele staten worden door multinationals onder druk gezet om zich te schikken naar hun eisen, met het dreigement om elders te zorgen voor werkgelegenheid en belastingen.

Joseph Stiglitz heeft hetzelfde probleem benaderd vanuit het perspectief van de mislukkingen van het neoliberalisme. Deregulering, regressieve belastingheffing, verzwakte openbare diensten en de politieke macht van geconcentreerde rijkdom leidden niet tot de concurrerende marktstructuur die hun voorstanders hadden beloofd. Ze leidden tot wat Stiglitz een crisis van het kapitalisme en de democratie noemt. Vier decennia van beleid dat kapitaal boven arbeid bevoordeelde, hebben de staat niet uit de economie verwijderd; ze hebben de staatsmacht wel gereorganiseerd rond specifieke belangen. Moet er nog zand zijn?

In mijn recente werken heb ik betoogd dat ongereguleerde globalisering politieke ruimte creëert voor populisten, die vervolgens de autonome instellingen verzwakken die nodig zijn voor democratische correctie. Turkije onder Erdogan laat zien hoe institutionele kaping autoritair populisme kan afschermen tegen economisch falen. Brazilië onder Lula laat daarentegen zien dat een brede coalitie een autoritair-populistisch project (Bolsonaro) kan verslaan, hoewel de bijbehorende media-, patronage- (vriendjespolitiek) en identiteitsnetwerken een verkiezingsnederlaag wellicht overleven. Mijn vergelijkende analyse van Lula en Erdogan suggereert daarom dat democratie meer moet doen dan alleen populistische leiders uit het zadel wippen; zij moet de sociale en economische fundamenten van de vertegenwoordiging opnieuw opbouwen. M.a.w. het systeem zodanig hervormen dat populisme geen kans krijgt, in plaats van populisme direct te bestrijden (basale fout: symptoombestrijding).

Omgekeerde convergentie en de crisis van het westerse model

Ik heb deze nationale voorbeelden geplaatst binnen een breder proces dat ik 'omgekeerde convergentie' noem. Na de Koude Oorlog was de verwachting dat de integratie van China in het mondiale kapitalisme het land geleidelijk liberaler, transparanter en institutioneel meer vergelijkbaar met het democratische Westen zou maken. Markten zouden een onafhankelijke middenklasse creëren; internationale integratie zou de rechtsstaat versterken; en economische modernisering zou uiteindelijk leiden tot politieke liberalisering.

Die voorspelling bleek volkomen misleidend. China integreerde markten, wereldhandel, multinationale investeringen en geavanceerde technologie zonder de autoritaire politieke controle op te geven. Tegelijkertijd begonnen de Verenigde Staten en delen van Europa praktijken over te nemen die voorheen werden geassocieerd met illiberale systemen: economisch nationalisme, strategisch protectionisme, industriële subsidies gekoppeld aan geopolitieke doelstellingen, uitbreiding van het toezicht, discretionaire bevoegdheden van de uitvoerende macht en beperkingen op technologische uitwisseling.

China is niet simpelweg naar het Westen toe gegroeid ('geconvergeerd'). In belangrijke opzichten begon het Westen juist naar China toe te groeien (vandaar de 'omgekeerde convergentie'). Zoals ik betoogde in "Capitalist Disruptions and the Democratic Retreat", is deze wederzijdse beweging geworteld in de systemische crisis van het bedrijfskapitalisme. Liberale regimes nemen illiberale instrumenten over, terwijl autoritaire regimes repressie handhaven en zelf selectief integreren in mondiale markten. De institutionele en normatieve afstand tussen de twee systemen wordt van beide kanten kleiner.

Dit betekent niet dat China en de westerse democratieën identiek zijn geworden. Politiek pluralisme, onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, burgerlijke vrijheden en verkiezingsconcurrentie (die er in het Westen wel zijn, in China niet) zorgen nog steeds voor fundamentele verschillen. Omgekeerde convergentie beschrijft een bewegingsrichting, geen voltooide toestand (Das Kölsche Grundgesetz, art. 5: et blief nix wie et wor). De waarschuwing die hieruit voortvloeit is dat marktintegratie (deelname aan de wereldmarkt) op zichzelf autoritaire regimes niet automatisch liberaliseert (zoals veel economen dachten), terwijl economische onzekerheid en geopolitieke rivaliteit democratische regimes juist geleidelijk kunnen illiberaliseren.

De empirische literatuur over de zogenaamde 'China-schok' versterkt dit argument. David Autor, David Dorn en Gordon Hanson toonden aan dat gemeenschappen die werden blootgesteld aan Chinese importconcurrentie te maken kregen met aanhoudende verliezen op het gebied van werkgelegenheid en lonen, in plaats van de snelle aanpassing die door standaard handelsmodellen wordt voorspeld (de economische 'wetenschap' omvat vooral veel theorie, di botst op de onvoorspelbaarheid van sociologische effecten). Hun daaropvolgende onderzoek bracht blootstelling aan de handel in verband met grotere politieke polarisatie. Deze bevindingen bewijzen niet dat globalisering op zichzelf het 'Trumpisme' heeft veroorzaakt. Ze tonen wel aan dat de verdelings- en geografische effecten van de handel niet kunnen worden behandeld als tijdelijke afwijkingen van een verder wrijvingsloos aanpassingsproces.

Rodriks onderscheid tussen de vraag- en aanbodzijde van populisme is hier cruciaal. Economische schokken wekken onzekerheid en wrok op, maar politieke ondernemers bepalen hoe deze grieven worden geïnterpreteerd. De woede kan gericht zijn tegen financiële elites, multinationale ondernemingen en ongelijkheid, of worden afgeleid naar migranten, minderheden en externe vijanden. Materiële ontwrichting en culturele politiek sluiten elkaar als verklaringen niet uit (m.a.w. bestaan naast elkaar als oorzaak van onvrede); economische onzekerheid kan zich vertalen in identiteitsconflicten. De onvoorspelbare kantjes van de mens. Althans, individueel zijn menselijke reacties op economische en politieke onzekerheid onvoorspelbaar; Öztürk probeert een verband te leggen met de reacties van bevolkingsgroepen. Naar mijn gevoel gaat de betrouwbaarheid van zijn betoog niet veel verder dan andere economische theorieën; wel interessant is dat de nadelen van neoliberalisme (zie de Washington Consensus; die ga ik nog dikwijls als referentie kunnen gebruiken…) hier gekaderd worden in een hoopvolle evolutie van de wereldeconomie. Hout vasthouden… (oeps, mijn tuintafel is van kunststof).

De transformatie van westerse partijsystemen versterkt het probleem. Thomas Piketty, Amory Gethin en Clara Martínez-Toledano beschrijven de opkomst van een "brahmaanse linkse beweging" die hoogopgeleide kiezers vertegenwoordigt en een "handelsrechtse beweging" die groepen met een hoog inkomen en vermogen vertegenwoordigt. Delen van de arbeidersklasse en de lagere middenklasse voelen zich in toenemende mate politiek niet vertegenwoordigd. Zij staan aan de ene kant tegenover een culturele elite en aan de andere kant tegenover een economische elite. Piketty zet de "Brahmin Left", m.a.w. intellectueel links, tegenover "Merchant Right" of welgesteld rechts, en zegt dat zowel armeren als minder opgeleiden zich politiek niet meer vertegenwoordigd voelen. Dat in die optiek intellectueel links minder welgesteld is, en welgesteld rechts minder intellectueel is, is een onvermijdelijke bijgedachte, en verklaart (met de zeven hoofdzonden in het achterhoofd) de behoudsgezindheid (het 'conservatisme') van welgesteld rechts.

Dit helpt verklaren waarom burgers die zich in de steek gelaten voelen, zich kunnen wenden tot leiders wier economische programma's hen objectief gezien niet ten goede komen (bevolkingsgroepen denken niet rationeel). Populisme biedt wat het technocratisch liberalisme niet langer biedt: een taal van verbondenheid, erkenning en politiek conflict. De oplossingen ervan mogen dan onjuist zijn en het leiderschap autoritair, maar de diagnose ervan begint bij een reële leemte in de vertegenwoordiging. Twee keer lezen.

De mondiale beleidsmachine raakt in het nauw

De wereldeconomie komt nu in een fase terecht waarin nationale beleidsmaatregelen elkaar in toenemende mate tenietdoen. Japan zit klem tussen een enorme opgebouwde staatsschuld, stijgende financieringskosten, bevolkingskrimp en een centrale bank waarvan de beleidsruimte is versmald. De Verenigde Staten combineren structurele begrotingstekorten en hoge kosten voor schuldaflossing met protectionisme en een steeds explicieter streven naar het behoud van technologische suprematie. Europa streeft naar grotere strategische autonomie, militaire capaciteit, groene transitie en sociale bescherming, maar wordt geconfronteerd met zwakke groei, hoge energiekosten, gefragmenteerde kapitaalmarkten en een restrictief begrotingsbeleid.

Elke grote economie probeert een deel van de aanpassingslast elders af te wentelen. De Verenigde Staten maken gebruik van invoerheffingen, industriële subsidies en de structurele macht van de dollar. China reageert met schaalvoordelen in de productie, exportpenetratie en door de staat gesteunde technologische modernisering. Europa wendt zich tot defensieve regelgeving en industriebeleid. Opkomende economieën concurreren om investeringen door middel van belastingvoordelen, goedkope arbeidskrachten, lage lonen en uitzonderingen op regelgeving.

Wat voor elk land afzonderlijk rationeel lijkt, wordt op systeemniveau tegenstrijdig. Iedereen wil meer exporteren, strategische industrieën beschermen, kapitaal aantrekken, binnenlandse productie subsidiëren en werkloosheid voorkomen. Niet iedereen kan dat tegelijkertijd doen. Dit kan je op twee manieren bekijken. (1) Een bepaald land kan niet alle acties ineens doen, en (2) een bepaalde actie kan niet ineens door alle landen tegelijk worden gedaan. Ik denk dat Öztürk (2) bedoelt.

Het monetaire beleid stuit op soortgelijke beperkingen. Hoge rentetarieven kunnen de inflatie beteugelen, maar de druk op de schuldendienst vergroten, investeringen verzwakken en financiële kwetsbaarheden blootleggen. Lagere rentes kunnen de prijzen van activa en de schuldenlast van overheden op peil houden, maar leiden tot een heropleving van de inflatie, stimuleren het gebruik van hefboomwerking en stellen herstructureringen uit. Fiscale expansie ondersteunt de vraag, maar stuit op ongeruste obligatiemarkten. Bezuinigingen stellen crediteuren gerust, maar verzwakken de maatschappelijke legitimiteit en versnellen politieke radicalisering.

De wereld nadert een punt waarop conventionele beleidsmaatregelen (en lokale toepassing daarvan) de problemen niet langer oplossen. Ze verschuiven ze in de tijd, over grenzen heen en tussen sociale klassen. Wanneer deze tegenstrijdigheden niet langer kunnen worden uitgesteld, zullen regeringen in de verleiding komen om de kaarten opnieuw te schudden: verliezen erkennen, geselecteerde instellingen redden en de rekening doorberekenen aan degenen die zich het minst kunnen verzetten. Wat nu in feite al gebeurt. Werknemers, belastingbetalers, kleine spaarders, gepensioneerden en jongere generaties zullen de gevolgen moeten dragen van beslissingen die zij niet hebben genomen. Dat weten ze ook, en de bereidheid daartoe slinkt. Zonder structurele hervormingen zal de volgende grote crisis niet louter een nieuwe neergang in de conjunctuurcyclus zijn. Het kan uitgroeien tot een gelijktijdige crisis van verdeling, politieke legitimiteit en democratische vertegenwoordiging. Is al bezig dus.

De vragen die Acemoglu nu aan de orde stelt, zijn dan ook de werkelijke vragen waarmee de liberale democratie wordt geconfronteerd. Waarom veranderen regeringen terwijl de economische koers grotendeels vast blijft? Waarom kunnen politieke systemen hun crises wel onderkennen, maar zijn ze niet in staat de structuren te hervormen die deze crises voortbrengen? En waarom leidt de afwisseling van regeringen zo vaak tot een wisseling van de beheerders van het systeem, zonder een wijziging van de verdeling van de economische macht, de richting van de technologische verandering of de mechanismen waarmee de kosten van de crisis worden doorberekend?

Het Verenigd Koninkrijk biedt een veelzeggend voorbeeld. Premiers en regerende partijen wisselen elkaar af, maar de zwakke productiviteit, regionale ongelijkheid, verslechterende openbare diensten, woningtekorten, chronische onderinvesteringen en de onopgeloste gevolgen van de Brexit blijven bestaan. Politieke afwisseling blijft bestaan, maar het vermogen tot verandering is verzwakt. Verkiezingen zorgen voor een wisseling van de beheerders van het systeem zonder dat de economische koers noodzakelijkerwijs verandert. Acemoglu zoekt, op zijn eigen analytische schaal, naar een verklaring voor deze crisis van het hervormingsvermogen en naar een weg eruit.

Juist hier neemt The Economist een paradoxale positie in. Het blad profileert zich als een nuchtere analist van politiek en economisch falen, maar zijn ideologische kader verhindert vaak dat de causale keten wordt teruggevoerd naar de onderliggende machtsverdeling. Regeringen falen, kiezers worden irrationeel, instellingen gaan achteruit en populisten winnen terrein; ondertussen blijven de eigendomsstructuren, fiscale privileges, financiële belangen en technologische concentraties die zinvolle hervormingen in de weg staan, minder zichtbaar. Het recente werk van Acemoglu is verontrustend omdat het de analytische vinger begint te richten op deze beschermde machtscentra. Wauw.

Een kritische beschouwing met twee zeer verschillende niveaus

Op 17 augustus 2026 publiceerde The Economist een ongewoon persoonlijke aanval onder de kop "De meest invloedrijke econoom ter wereld is vreemd genoeg niet overtuigend". Het artikel erkent dat Acemoglu uitzonderlijk productief is, intellectueel indrukwekkend en genereus tegenover jongere wetenschappers. Vervolgens wordt de rest van het artikel gewijd aan de vraag of zijn reputatie aan de top van het economische vakgebied gerechtvaardigd is.

Dit is een legitieme vraag die je je kunt stellen over elke gevierde wetenschapper, inclusief een Nobelprijswinnaar. Acemoglu's empirisch onderzoek, institutionele theorie en schattingen van de productiviteitseffecten van AI zijn niet boven kritiek verheven. De geschiedenis van de economie staat bol van invloedrijke theorieën (!) die later onvolledig, contextgebonden of empirisch kwetsbaar bleken te zijn. Toch leest de bijdrage van The Economist niet als een conventionele wetenschappelijke beoordeling. De toon, de timing en de opbouw ervan suggereren dat er iets anders op het spel staat. Zo gaat het bijvoorbeeld van technische meningsverschillen over koloniale sterftecijfers naar afwijzende oordelen over Acemoglu's politieke analyse, zijn beschrijving van technologische verandering en zijn steun voor arbeidersvriendelijke AI. Het artikel beweert niet louter dat sommige van zijn schattingen onjuist zouden kunnen zijn. Het tracht de intellectuele autoriteit te ondermijnen waarop hij zich baseert om de huidige concentratie van technologische en economische macht aan de kaak te stellen. The Economist schiet op de pianist.

Het artikel combineert twee fundamenteel verschillende soorten kritiek. De eerste is methodologisch. Het komt terug op het beroemde artikel uit 2001 van Acemoglu, Simon Johnson en James Robinson over de koloniale oorsprong van vergelijkende ontwikkeling. Hun stelling dat die verschillende koloniale omgevingen verschillende institutionele regelingen voortbrachten waarvan de effecten bleven voortduren, werd fundamenteel voor de hedendaagse institutionele economie. Het Nobelcomité bekroonde de drie economen in 2024 "voor studies naar hoe instellingen worden gevormd en welvaart beïnvloeden".

De gegevens over de sterfte onder kolonisten die in hun oorspronkelijke artikel werden gebruikt, zijn daadwerkelijk betwist. David Albouy zette vraagtekens bij de overbrenging van waarnemingen tussen verschillende gebieden, de vergelijkbaarheid van historische sterftecijfers en de robuustheid van de schattingen op basis van instrumentele variabelen. Acemoglu, Johnson en Robinson antwoordden dat de conclusies van Albouy berustten op het verwijderen van een groot deel van Latijns-Amerika en Afrika uit de steekproef en het toevoegen van een twijfelachtig gecodeerde campagne-dummyvariabele. Hun formele antwoord werd samen met de kritiek van Albouy gepubliceerd.

Dit zijn wezenlijke vragen, en The Economist heeft gelijk dat het deze aan de orde stelt. Toch reiken de beperkingen van het onderzoeksprogramma verder dan één dataset. Adam Przeworski vroeg zich af of endogene instellingen op coherente wijze kunnen worden behandeld als de primaire oorzaak van ontwikkeling; Edward Glaeser en zijn coauteurs stelden dat menselijk kapitaal en eerdere ontwikkeling op zichzelf al institutionele verbetering kunnen teweegbrengen; en Gareth Austin toonde aan hoe de 'omkering van het lot'-these de Afrikaanse geschiedenis simplificeert en te weinig gewicht toekent aan de koloniale politieke economie en lokale ontwikkelingstrajecten. Meer in het algemeen dreigt het onderscheid tussen 'inclusief' en 'extractief' een classificatie achteraf te worden als er onvoldoende aandacht wordt besteed aan imperiale macht, oorlog, klassenconflicten, externe interventie en variatie binnen landen. Deze bezwaren beperken de aanspraak van het raamwerk op een uniforme verklaring; ze maken institutionele analyse niet waardeloos. De termen 'inclusief' en 'extractief' zijn vooral bekend geworden door Daron Acemoglu en James Robinson. Een inclusieve economie geeft een brede groep mensen toegang tot economische kansen: eigendomsrechten worden beschermd, concurrentie is mogelijk, mensen kunnen ondernemen en investeren, en de opbrengsten van economische groei worden relatief breed verspreid. Economische instituties werken dus niet alleen voor een kleine elite. Een extractieve economie is daarentegen zo ingericht dat een beperkte groep de economische en politieke macht gebruikt om rijkdom en inkomen uit de rest van de samenleving te onttrekken. Denk aan monopolies, politieke privileges, corruptie, ongelijke toegang tot kapitaal of instituties die vooral gevestigde belangen beschermen.

De invloed van het artikel (uit 2001?) reikt ook verder dan de precieze coëfficiënt. Het heeft ertoe bijgedragen dat de ontwikkelingseconomie markten, kapitaalaccumulatie en technologische verspreiding niet langer beschouwt als processen die onafhankelijk van politieke macht verlopen. Instellingen bepalen wiens eigendom wordt beschermd, wiens contracten worden afgedwongen, wie onderwijs krijgt, wie de staat controleert en wie zich collectief kan organiseren.

De tweede laag van de kritiek van The Economist gaat verder dan identificatiestrategieën of historisch bewijs en doet Acemoglu's ideeën af als voor de hand liggend, somber of onvoldoende avontuurlijk. Zijn argument dat Trump de uitvoerende macht vergroot door beperkende instellingen te vernietigen, wordt beantwoord met "Nou, dat spreekt voor zich". Het artikel in het tijdschrift typeert zijn idee van arbeidersvriendelijke AI als aantrekkelijk maar vanzelfsprekend. Het stelt zijn bezorgdheid over de maatschappelijke richting van technologie voor als pessimisme.

Dit is geen technische weerlegging. Het is retorische bagatellisering. Er is een bekende methode aan het werk: erken dat een argument juist is, en verklaar het vervolgens te voor de hand liggend om ertoe te doen. Toch lijken veel van de meest ingrijpende waarheden in de politieke economie pas vanzelfsprekend nadat iemand de mechanismen ervan heeft blootgelegd en heeft aangetoond waarom de heersende instellingen deze systematisch schenden. Als het vanzelfsprekend is dat AI werknemers zou moeten aanvullen in plaats van hen te verdringen, waarom bevoordelen bedrijfsstimulansen en belastingstelsels dan zo vaak automatisering? En digitalisering… Als het vanzelfsprekend is dat de uitvoerende macht aan banden moet worden gelegd, waarom normaliseren liberale democratieën dan steeds meer noodbevoegdheden, gepolitiseerde bestuur en bestuur bij decreet? Als gedeelde welvaart een vanzelfsprekende basis vormt voor democratische stabiliteit, waarom is deze dan zo consequent ondergeschikt gemaakt aan de stijging van de activaprijzen en de kapitaalmobiliteit? De nefaste invloed van neoliberalisme.

Een tijdschrift dat zijn eigen Acemoglu-archief tegenspreekt

De strengheid van het oordeel uit 2026 is opvallend omdat het niet op natuurlijke wijze voortvloeit uit de eigen geschiedenis van The Economist. Toen Acemoglu en Robinson een deels op het Westen gericht institutioneel verhaal omzetten in een mondiale theorie (juist op het moment dat de cirkelredenering, de historische compressie en de behandeling van koloniale macht het meest om grondige kritische analyse vroegen), verwelkomde het tijdschrift het kader grotendeels. Het benadrukte dat "instellingen ertoe doen, heel veel", bracht positief verslag uit over onderzoek dat democratie en groei met elkaar in verband bracht, en paste het raamwerk van Acemoglu's boek Why Nations Fail toe op de wederopbouw van fragiele staten. Zijn archief was niet onkritisch, maar wel serieus en constructief. Het recentste artikel verandert vertrouwde discussies abrupt in een persoonlijk oordeel over de vraag of Acemoglu zijn plaats aan de top van de economie verdient.

Datum Artikel De rol van Acemoglu Redactionele houding
maart 2012 Why Nations Fail — review recensie Boek en institutionele stelling Positief, met voorbehoud
6 maart 2013 Institutions matter, a lot Antwoord van Acemoglu en Robinson op Bill Gates Defensief / positief
25 juni 2015 Have your cake and eat it Onderzoek naar democratie en groei Gunstig
7 januari 2017 Why states fail and how to rebuild them Het raamwerk van *Why Nations Fail Gunstig / toegepast
26 maart 2019 Slower growth in ageing economies is not inevitable Vergrijzing, robots en productiviteit Constructief
5 september 2020 Economists are turning to culture… Instellingen versus cultuur; The Narrow Corridor Constructief-kritisch
16 januari 2021 The robots are coming for jobs—but stealthily Onderzoek naar automatisering en arbeid Serieus / neutraal
21 januari 2021 Economic crises and political ruptures Economische netwerken en fascisme Serieus / neutraal
28 november 2023 Welcome to a golden age for workers Robots, krappe arbeidsmarkten en de macht van werknemers Neutraal; optimistischer
17 augustus 2026 The world's most influential economist is oddly unconvincing Beoordeling van zijn gehele loopbaan Controversieel / gepersonaliseerd

Zoekopdrachten in het archief zijn onvolledig, vooral bij gewijzigde URL's en gedrukte edities. De conservatieve schatting is daarom geen exact totaal over zijn hele loopbaan, maar betreft ten minste tien identificeerbare, substantiële artikelen in The Economist tussen 2012 en 2026 waarin Acemoglu of zijn werk als coauteur centraal staat. Terloopse vermeldingen, dagelijkse briefings en evenementen van The Economist zouden het totale aantal nog verder doen stijgen.

De inconsistentie ligt niet in het feit dat een tijdschrift van mening is veranderd; serieuze publicaties horen dat te doen wanneer het bewijsmateriaal verandert. Het nieuwe oordeel wijst echter niet op doorslaggevend nieuw bewijs en geeft evenmin uitleg voor de redactionele ommezwaai. Evenmin is The Economist gestopt met het behandelen van Acemoglu als een autoriteit: op de agenda van de Antitrust Summit staat hij gepland voor een discussie met het tijdschrift op 28 oktober 2026. Dezelfde instelling kan zijn autoriteit op het ene podium promoten, terwijl ze op een ander podium probeert deze te ondermijnen. Die spanning verdient erkenning.

Instellingen: tautologie of een analyse van macht?

De institutionele theorie van Acemoglu staat inderdaad voor een reële analytische uitdaging. Als men stelt dat succesvolle landen "inclusieve instellingen" bezitten en niet-succesvolle landen "uitbuitende instellingen", bestaat het risico op een cirkelredenering. Inclusieve instellingen leiden tot welvaart, terwijl welvaart op haar beurt het bewijs vormt dat de instellingen inclusief waren.

Tyler Cowen en andere critici hebben zich afgevraagd of institutionele verandering soms wordt verklaard door te verwijzen naar eerdere institutionele verandering, wat een oneindige regressie oplevert. Critici wijzen ook op China: hoe kan een politiek autoritair en aannemelijk extractief systeem decennia van buitengewone groei voortbrengen? Deze bezwaren moeten serieus worden genomen. Instellingen mogen geen restcategorie worden die wetten, normen, cultuur, politieke macht, staatscapaciteit en elke historische gebeurtenis omvat die elders niet wordt verklaard. Een theorie die alles achteraf verklaart, kan vooraf maar weinig voorspellen.

Toch weerlegt China niet automatisch het argument van Acemoglu. Zijn stelling is niet dat uitbuitende systemen niet kunnen groeien. Dergelijke regimes kunnen middelen mobiliseren, technologie importeren, consumptie beteugelen, krediet sturen en een snelle inhaalslag realiseren. De sterkere stelling is dat innovatiegedreven, breed gedeelde welvaart moeilijker te handhaven is wanneer de politieke macht geconcentreerd blijft en de verantwoordingsplicht zwak is. China vormt daarom minder een beslissende weerlegging dan een onopgeloste test. De toekomstige koers van het land zal afhangen van de vraag of gecentraliseerde controle kan samengaan met innovatie, demografische transitie, stijgende schulden, ondernemersautonomie en de steeds complexere informatiebehoeften van een geavanceerde economie.

Belangrijker nog is dat institutionele analyse veel minder tautologisch wordt wanneer instellingen worden opgevat als gestructureerde machtsverdelingen. Instellingen bepalen wie een veto kan uitspreken over beleid, arbeid kan organiseren, productieve activa kan bezitten, politieke campagnes kan financieren, informatie kan controleren en anderen verliezen kan opleggen. Het zijn niet louter "goede regels" die goede resultaten opleveren. Het zijn afspraken tussen maatschappelijke krachten. Deze interpretatie verbindt Acemoglu met een oudere traditie van de politieke economie, in plaats van hem ervan te scheiden. Polanyi's 'ingebedde markten', Rawls' 'eerlijke waarde' van politieke vrijheid, Stiglitz' progressief kapitalisme en Rodriks productivistische agenda vragen allemaal hoe economische macht verenigbaar kan worden gemaakt met democratisch burgerschap.

John Rawls benadrukte dat politieke vrijheden niet alleen formeel moeten bestaan, maar ook een 'eerlijke waarde' moeten hebben. Burgers moeten een inhoudelijk vergelijkbare kans hebben om politieke uitkomsten te beïnvloeden. Wat niet gemakkelijk is in een particratie. Zijn latere voorkeur voor een democratie waarin eigendom centraal staat boven het conventionele kapitalisme van de verzorgingsstaat was deels gebaseerd op de vrees dat rijkdom die in enkele handen is geconcentreerd, de politiek zou domineren. Dit is niet langer een abstracte filosofische zorg. Martin Gilens toonde aan dat beleidsuitkomsten in de Verenigde Staten veel meer inspelen op de wensen van welgestelde burgers dan op die van mensen met een midden- of laag inkomen. Wanneer ongelijke economische macht leidt tot ongelijke politieke invloed, kan de liberale democratie weliswaar verkiezingen behouden, maar verliest zij in wezenlijke vertegenwoordiging. Verkiezingen zijn nog geen bewijs van democratie.

De 'oude Acemoglu' en de 'nieuwe Acemoglu'

Sommige verdedigers van Acemoglu hebben het artikel in The Economist geïnterpreteerd als een vergeldingsactie van 'het systeem' tegen een econoom die 'gevaarlijk radicaal' (of links?) is geworden. Er kan weliswaar sprake zijn van een ideologische reactie, maar deze interpretatie mag niet worden overdreven.

Als een goede student van de institutionele economie zou ik willen stellen dat Acemoglu geen socialistische revolutionair is. Hij pleit niet voor de afschaffing van markten of privé-eigendom. Hij romantiseert de Sovjetplanning, het maoïsme of het Chinese autoritaire staatskapitalisme niet. Zijn project is reformistisch: de liberale democratie redden van de gevolgen van haar politieke en economische verval. Zijn nieuwe boek, What Happened to Liberal Democracy?, maakt dit expliciet. Acemoglu stelt dat de liberale democratie bloeide toen zij individuele vrijheid, politieke participatie en gedeelde welvaart combineerde. Ze verloor haar legitimiteit toen het postindustriële liberalisme dat evenwicht losliet, toestond dat economische en educatieve elites zich losmaakten van de rest van de samenleving, en er niet in slaagde de verstoringen als gevolg van globalisering en digitale technologie in goede banen te leiden. Zijn alternatief is 'arbeidersklasse-liberalisme': een democratische orde waarin gedeelde welvaart, mondige gemeenschappen, menselijke waardigheid en een breder scala aan legitieme sociale waarden centraal staan. Het centrale argument van het boek is de wederopbouw van het liberalisme, niet de vernietiging ervan.

Ook Acemoglu's kritiek op delen van hedendaags links is belangrijk. Hij stelt dat de progressieve politiek te ver is afgedreven van de economische belangen van de arbeidersklasse en te nauw is verbonden geraakt met hoogopgeleide groepen in de grote steden (salonsocialisme, een beetje als Conner Rousseau). Die bewering komt opvallend overeen met Piketty's analyse van de 'brahmaanse linkse beweging'. De culturele en educatieve elite mag dan wel de rechten van minderheden en kosmopolitische waarden ondersteunen, maar blijft onvoldoende aandacht schenken aan arbeidskrachten, regionaal verval en economische onzekerheid. In dit opzicht staat Acemoglu dichter bij het Rawlsiaanse sociaal-liberalisme of de vernieuwde sociaaldemocratie dan bij het antikapitalisme. Markten moeten blijven bestaan, maar ze moeten worden ingebed in democratische instellingen. Technologie moet zich ontwikkelen, maar de samenleving moet invloed uitoefenen op de richting daarvan. Kapitaal moet investeren en innoveren, maar geconcentreerde particuliere macht mag de politiek, de kenniswereld en het openbare leven niet koloniseren. Voila. Moest er nog zand zijn?

Juist omdat dit geen revolutionair programma is, vormt het een ongemakkelijke uitdaging voor verdedigers van de status quo. Zij maar zeker. Acemoglu kan niet zomaar worden afgedaan als een vijand van het kapitalisme. Hij bekritiseert het kapitalisme in de taal van productiviteit, concurrentie, kansen en de liberale democratie zelf. Zijn boodschap is niet dat de liberale democratie heeft gefaald omdat haar vijanden haar hebben verslagen. Het is dat het liberalisme zijn eigen sociale fundamenten heeft aangetast.

Dit werpt een nieuw licht op de centrale democratische vraag. Worden liberale democratieën van buitenaf vernietigd door populisten, of van binnenuit uitgehold door de concentratie, afhankelijkheid en ongelijkheid die het economisch liberalisme voortbrengt? Dat tweede, lijkt mij; van voorstellen vanwege populisten voor het corrigeren van de gevolgen van neoliberalisme is mij iets bekend. De alternatieven zijn onjuist als ze als elkaar uitsluitend worden beschouwd. Populistische leiders zijn daadwerkelijke aanstichters van institutionele vernietiging, maar ze versnellen ook een reeds bestaand intern verval. Het zou best kunnen dat het intern verval de acties van populisten net mogelijk maakt. Wanneer markten rijkdom concentreren, regeringen hun bestuursvermogen verliezen, de arbeidsmarkt zijn onderhandelingskracht verliest en burgers verkiezingen meemaken zonder economische zeggenschap, blijft de constitutionele schil bestaan terwijl de democratische inhoud verwaterd raakt. Trump, Bolsonaro en Erdogan hebben deze kwetsbaarheid niet uitgevonden; zij hebben haar georganiseerd en als wapen ingezet. De terugkeer van Lula toont aan dat electorale correctie mogelijk is, maar ook dat het verwijderen van een populist niet hetzelfde is als het herstellen van de sociale fundamenten van de democratie. Ja, jong. Interessante visie.

Het neoliberalisme gaat de hervormingsvraag uit de weg

Vier decennia lang beloofde het heersende beleidskader dat handelsliberalisering, deregulering, verdieping van de financiële markten, flexibiliteit op de arbeidsmarkt en technologische innovatie de totale welvaart zouden vergroten. Verliezen op het vlak van inkomensverdeling zouden achteraf zogenaamd kunnen worden opgevangen door middel van onderwijs, arbeidsmobiliteit en beperkte fiscale compensatie. Zie ook Over gevaarlijke ideeën gesproken.

De beloofde compensatie bleek vaak ontoereikend of bleef uit. Productiviteitswinsten werden ongelijk verdeeld. Vakbonden raakten verzwakt. De arbeiders verloren onderhandelingsmacht. De financialisering nam toe (de toenemende invloed van financiële markten, financiële instellingen en financiële logica op de economie én op het dagelijks leven). De concentratie van markten en rijkdom nam toe. Belastingstelsels behandelden vermogenswinsten, geërfde rijkdom en winsten van multinationals vaak (of altijd?) gunstiger dan gewoon arbeidsinkomen.

Stiglitz beschrijft het noodzakelijke alternatief als progressief kapitalisme: markten in combinatie met sterke publieke instellingen, concurrentie, sociale investeringen en beperkingen op het onttrekken van economische rente. Rodriks 'productivisme' verlegt op vergelijkbare wijze de aandacht van herverdeling na marktresultaten naar de organisatie van de productie zelf. De beslissingen van bedrijven op het gebied van investeringen, werkgelegenheid en innovatie reproduceren dagelijks armoede, ongelijkheid en uitsluiting. Wachten om dit achteraf te herstellen is zowel economisch inefficiënt (de focus op efficiëntie blijkt inefficiënt te zijn :-) als politiek destabiliserend.

Het is hier dat Acemoglu's pro-arbeidersargument over technologie betekenis krijgt. De verdelingsgevolgen van technologie moeten worden aangepakt wanneer technologieën worden geselecteerd, ontworpen en ingezet, niet pas nadat werknemers zijn verdrongen.

Technologie kiest niet zelf haar richting

The Economist beschrijft het boek Power and Progress, geschreven door Acemoglu en Simon Johnson, als een buitensporig somber verslag van technologische verandering. Het blad werpt tegen dat technologische vooruitgang de gemiddelde mens aanzienlijk rijker heeft gemaakt dan de mensen die vóór de Industriële Revolutie leefden. Een klassiek argument van neoliberalen.

Die bewering is waar, maar geeft geen antwoord op het argument van Acemoglu. Acemoglu en Johnson beweren niet dat technologie geen vooruitgang heeft opgeleverd. Hun centrale stelling is dat de voordelen van innovatie noch automatisch tot stand komen, noch vanzelfsprekend worden verdeeld. Technologie creëert mogelijkheden; instellingen, politieke organisatie en onderhandelingsmacht bepalen hoe die mogelijkheden worden ingezet en wie de voordelen ervaart. De samenvatting van Power and Progress door het MIT verwoordt de kwestie duidelijk: technologische vooruitgang kan empowerment en democratisering bevorderen, maar niet als beslissende keuzes in handen blijven van een klein aantal technologische leiders.

De Industriële Revolutie heeft uiteindelijk de levensstandaard verhoogd, maar in de eerste decennia leidde zij ook tot wrede fabrieksdiscipline, kinderarbeid, onveilige steden en de vernietiging van gevestigde bestaansmiddelen (en meer van die fenomenen, die overigens niet verdwenen zijn). De uiteindelijke maatschappelijke voordelen zijn niet alleen door machines tot stand gebracht. Arbeidsorganisatie, volksgezondheid, onderwijs, politieke emancipatie, sociale verzekeringen, mededingingsbeleid en progressieve belastingheffing hebben hierin een bemiddelende rol gespeeld. En doen dat in principe nog, maar zijn nu zelf in gevaar.

Critici van Acemoglu verwarren vaak twee verschillende stellingen: i) Technologie kan de totale productiviteit verhogen. ii) Technologie zal automatisch leiden tot breed gedeelde welvaart.

De eerste stelling kan waar zijn, terwijl de tweede onwaar blijft.

Hetzelfde onderscheid komt voor in de economische literatuur over automatisering. Acemoglu en Pascual Restrepo maken onderscheid tussen een verdringingseffect, waarbij machines taken overnemen die voorheen door arbeidskrachten werden uitgevoerd, en een herplaatsingseffect, waarbij technologische verandering nieuwe taken creëert waarin menselijke arbeid een comparatief voordeel heeft. Automatisering kan de productiviteit verhogen en tegelijkertijd het aandeel van de arbeid in het inkomen verminderen als er te weinig nieuwe taken voor mensen worden gecreëerd. De vraag is daarom niet „technologie of geen technologie". Het gaat erom welk technologisch traject samenlevingen stimuleren.

AI, arbeid en geconcentreerde macht

Kunstmatige intelligentie maakt dit probleem nog urgenter, omdat AI niet zomaar een machine is. Het kan de kennisproductie herstructureren, werknemers in de gaten houden, communicatie sturen, administratieve beslissingen automatiseren en informatiemacht concentreren bij bedrijven die de controle hebben over data, cloudcapaciteit (vandaar de strijd om datacenters), geavanceerde chips en basismodellen.

Een AI-systeem kan de productiviteit van bedrijven verhogen en tegelijkertijd de onderhandelingsmacht van werknemers verminderen. Het kan voorspellingen verbeteren en tegelijkertijd alomtegenwoordige bewaking mogelijk maken. Het kan nuttige informatie genereren en tegelijkertijd de gedeelde epistemische omgeving (kennisomgeving; een gemeenschappelijke omgeving waarin mensen informatie, kennis en ideeën vormen, beoordelen en met elkaar delen) aantasten die nodig is voor democratisch overleg. Het kan in totaal nieuwe beroepen creëren en tegelijkertijd de carrièrepaden vernietigen waarlangs jongere werknemers expertise opdoen. Is volop bezig; jonge programmeurs zijn hopeloos op zoek naar een job, advocatenfirma's twijfelen tussen AI en jonge juristen.

De Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) constateert dat transformatie en uitbreiding waarschijnlijker zijn dan het onmiddellijke verdwijnen van hele beroepen. Dit ondersteunt noch technologisch utopisme, noch apocalyptische werkloosheidsprognoses. Het ondersteunt Acemoglu's nadruk op institutionele keuzes: de uitkomsten hangen af van hoe taken worden gereorganiseerd, of werknemers meebeslissen over de inzet ervan, en wie de productiviteitswinsten voor zich opeist.

Het concurrentieprobleem is al even ernstig. Een evaluatie van de OESO wijst op sterke concentratiedruk die voortvloeit uit de toegang tot rekencapaciteit, data en gespecialiseerde vaardigheden, in combinatie met first-mover-voordelen en verticale integratie. Met andere woorden: de bezorgdheid over een AI-oligopolie is niet louter een ideologisch vermoeden dat Acemoglu koestert. Het is inmiddels een centraal probleem op het gebied van het mededingingsbeleid.

Dit verbindt het standpunt van Acemoglu met het concept van 'surveillancekapitalisme' van Shoshana Zuboff. Digitale bedrijfsmodellen verkopen niet alleen diensten. Ze verzamelen gedragsgegevens, zetten menselijke ervaringen om in een commerciële hulpbron en verwerven het vermogen om gedrag te voorspellen of te beïnvloeden. Dit leidt niet alleen tot marktmacht, maar ook tot een vorm van particuliere zeggenschap over informatie en sociale coördinatie.

De kwestie reikt dus verder dan monopolistische prijsstelling. Wanneer een handvol bedrijven de infrastructuren beheerst waarmee burgers communiceren, werken, kennis vergaren en aan de politiek deelnemen, wordt economische concentratie constitutionele macht.

Is Acemoglu te pessimistisch over de productiviteitswinst van AI?

The Economist heeft hier een terecht punt. In zijn paper uit 2024 schatte Acemoglu dat AI in het daaropvolgende decennium slechts bescheiden productiviteitswinsten zou opleveren – niet meer dan ongeveer 0,66% in de totale factorproductiviteit, uitgaande van zijn belangrijkste aannames. De berekening was bewust conservatief. Er werd gebruikgemaakt van een taakgebaseerd model, gericht op taken die aannemelijk geautomatiseerd of ondersteund konden worden, en waarbij sommige speculatieve toekomstige toepassingen buiten beschouwing werden gelaten. Acemoglu gaf later toe dat hij de snelheid van agentische AI niet volledig had voorzien en dat hij de toepassingen ervan in wetenschappelijk onderzoek wellicht had onderschat. Agentic AI moet zijn waarde overigens nog bewijzen. Dat is een belangrijke concessie. AI kan softwareontwikkeling, experimenteren, materiaalkunde, het ontdekken van geneesmiddelen, organisatorische coördinatie en besluitvorming versnellen. Agentische systemen kunnen redeneren, geheugen, planning en externe hulpmiddelen combineren op manieren die in eerdere schattingen niet waren meegenomen. Als (áls…) deze complementaire innovaties snel opschalen, zou Acemoglu's oorspronkelijke productiviteitsschatting wel eens te laag kunnen blijken.

Maar dit pleit voor een herziening van de kwantitatieve schatting, niet voor het afwijzen van zijn politieke economie. Sterker nog: snellere vooruitgang op het gebied van AI maakt zijn institutionele zorgen juist belangrijker. Als AI slechts een marginaal productiviteitsinstrument zou zijn, zou de concentratie ervan bij een paar bedrijven minder van belang zijn. Als het echter een algemene infrastructuur wordt die productie, kennis en communicatie regelt, wordt democratisch toezicht onmisbaar.

Er is ook sprake van een asymmetrie in het dominante technologiedebat. AI-bedrijven en hun investeerders doen stelselmatig spectaculaire beweringen over productiviteit, werkgelegenheid en wetenschappelijke transformatie. Deze beweringen beïnvloeden waarderingen, investeringen in infrastructuur (datacenters), het elektriciteitsbeleid (kernenergie), fiscale stimuleringsmaatregelen en overheidssubsidies. Toch wordt scepsis ten aanzien van commercieel gedreven prognoses afgedaan als ideologisch pessimisme, terwijl de optimistische beweringen van AI-topmannen worden gepresenteerd als neutrale technologische expertise. De meest positieve voorstelling, hoe fout ook, wint altijd.

De mensen die een onvermijdelijke AI-revolutie voorspellen, zijn vaak dezelfde mensen die kapitaal aantrekken, vrijstellingen van regelgeving eisen en politieke invloed vergaren op basis van die verwachting (!!). Realiteit in deze prognoses brengen is geen vijandigheid jegens technologie. Het is een elementaire vereiste van de politieke economie.

Wie zijn de 'wij' die de koers van AI moeten bepalen?

Redactionele onafhankelijkheid is niet hetzelfde als institutionele neutraliteit. De institutionele context van het tijdschrift moet nauwkeurig worden besproken. De Economist Group beschikt over formele waarborgen voor redactionele onafhankelijkheid, waaronder onafhankelijke trustees die tot taak hebben het karakter van de publicatie te beschermen en te voorkomen dat deze door één enkele belangengroep wordt gedomineerd. Die waarborgen zijn belangrijk. Toch is redactionele onafhankelijkheid – het verbod voor eigenaren om de koers te dicteren – niet hetzelfde als institutionele neutraliteit of sociale afstand tot de economische sectoren die onder de loep worden genomen.

Uit de openbaarmakingen van de raad van bestuur van de Group blijkt dat er een ongewoon grote overlap bestaat tussen mediabeheer, financiën, eigendom en technologie.

  • Groepsvoorzitter Paul Deighton is tevens voorzitter van Goldman Sachs International en Goldman Sachs International Bank.
  • Mustafa Suleyman, CEO van Microsoft AI, is sinds 2019 niet-uitvoerend bestuurder van de Groep en maakt deel uit van de commissie voor technologie-investeringen.
  • Suzanne Heywood is chief operating officer van Exor – de grootste aandeelhouder van de Groep – en maakt eveneens deel uit van die commissie.
  • Diego Piacentini, een ander commissielid, bekleedde eerder leidinggevende functies bij Amazon en Apple.
  • Hoofdredacteur Zanny Minton Beddoes is zelf lid van de raad van bestuur van de groep.

De commerciële verwevenheid strekt zich uit tot AI. In de aankondiging van de lancering in oktober 2025 van Economist Insider, het premium videoproduct, stond dat de lancering werd "ondersteund door Claude – de AI voor probleemoplossers". Het is veiliger om Anthropic/Claude de openbaar gemaakte ondersteuner van de lancering te noemen dan te concluderen dat er sprake is van controle over de redactionele inhoud. Het onderscheid is belangrijk: sponsoring of commerciële ondersteuning creëert een relatie die lezers redelijkerwijs kunnen onderzoeken, maar het betekent niet dat een sponsor een artikel heeft uitgekozen of de conclusies ervan heeft gedicteerd.

Historische banden binnen de raad van bestuur versterken het punt dat er sprake is van nabijheid, niet van samenzwering. Eric Schmidt, destijds uitvoerend voorzitter van Alphabet, verliet de raad van bestuur van de Groep in 2015. De relevante conclusie die hieruit kan worden getrokken is beperkt: het bestuursnetwerk van de publicatie overlapt al lang met de hoogste echelons van de technologie- en financiële sector. Het zou onjuist zijn om vanuit dat feit meteen te concluderen dat er sprake is van redactionele instructies. Het zou even naïef zijn om de institutionele positie als irrelevant te beschouwen voor de vraag welke aannames normaal lijken, welke hervormingen buitensporig lijken en welke machtsconcentraties het voordeel van de twijfel krijgen.

Er is geen openbaar beschikbaar bewijs waaruit blijkt dat Microsoft, Goldman Sachs, Exor, Anthropic of enig bestuurslid opdracht heeft gegeven tot, heeft ingegrepen in of zijn goedkeuring heeft gegeven aan de aanval op Acemoglu in augustus 2026. Dit essay beweert niet dat er sprake is geweest van een dergelijke interventie. De beperktere stelling is dat de autoriteit van het tijdschrift niet verward mag worden met een 'objectief' standpunt. Formele redactionele autonomie kan samengaan met een bestuurlijk en commercieel ecosysteem waarvan de leden allemaal te maken hebben met de technologieën, financiële structuren en eigendomsbelangen die Acemoglu door de democratische politiek wil laten reguleren.

Deze institutionele nabijheid krijgt meer gewicht wanneer The Economist overschakelt van analyse naar expliciete beleidsbeïnvloeding. Slechts drie dagen na de aanval op Acemoglu's kritiek op geconcentreerde technologische macht publiceerde het tijdschrift een hoofdartikel waarin werd verklaard dat Groot-Brittannië "gek zou zijn om Palantir te laten vallen", waarmee de regering werd aangespoord om geen gebruik te maken van de opzeggingsclausule in het contract van Palantir ter waarde van 330 miljoen pond voor het NHS-gegevensplatform. Het hoofdartikel over Palantir stond los van de sponsoring door Anthropic, en er zijn geen aanwijzingen dat Palantir hier opdracht toe heeft gegeven of invloed op heeft uitgeoefend (maar bij deze is het toch maar gesuggereerd). Niettemin was het een onmiskenbare redactionele interventie ten gunste van het behoud van een belangrijke relatie in de publieke sector met een controversiële Amerikaanse technologieleverancier, zelfs nadat een parlementaire commissie had gewaarschuwd voor vendor lock-in en de afhankelijkheid van Groot-Brittannië van Palantir had omschreven als een "onaanvaardbaar zwak punt". De tegenstelling is moeilijk te negeren: The Economist doet de waarschuwingen van Acemoglu over geconcentreerde technologische macht af als somber of voor de hand liggend, terwijl het zijn eigen institutionele stem inzet om juist dat soort afhankelijkheid van de staat van technologie te verdedigen die zijn politieke economie democratische samenlevingen vraagt kritisch te bekijken.

The Economist stelt een terechte vraag over Acemoglu's eis dat 'wij' AI in een pro-menselijke richting sturen. Wie precies vormt dit 'wij'? Overheden kunnen worden gekaapt (door lobbyisten). Regelgevers beschikken mogelijk niet over de nodige technische expertise. Vakbonden vertegenwoordigen niet iedereen. Deskundigencommissies kunnen zich oncontroleerbaar opstellen. Nationale regelgeving kan investeringen juist aanmoedigen om uit te wijken naar meer tolerante rechtsgebieden. "Arbeidersvriendelijke AI" is geen programma dat vanzelf loopt. Maar deze moeilijkheden rechtvaardigen niet dat de technologische koers aan de markt wordt overgelaten. Markten maken politieke keuzes niet overbodig; ze verplaatsen de besluitvorming naar bedrijfsleiders, investeerders, platformeigenaren en durfkapitaalfondsen.

Het ontbreken van democratisch bestuur is geen neutraliteit. Het is particulier bestuur. De echte vraag is niet of iemand AI zal sturen. Iemand doet dat al. De vraag is of de richting ervan uitsluitend zal worden bepaald door winstgevendheid, vervanging van arbeidskrachten, gegevenswinning en marktdominantie (zoals het er nu uitziet), of ook door publieke doelen zoals betere werkgelegenheid, onderwijs, gezondheidszorg, wetenschappelijke ontdekkingen en democratische veerkracht. Big Tech gebruikt die publieke doelen om AI aanvaardbaar te maken, maar doet er verder niks voor.

Een geloofwaardige, mensgerichte AI-agenda zou daarom meer vereisen dan alleen een slogan. Deze zou onder meer het volgende omvatten: mededingingsbeleid, interoperabiliteit, toegang tot computerinfrastructuur in het algemeen belang, overheidsfinanciering van onderzoek, hervorming van fiscale stimuleringsmaatregelen die automatisering bevorderen, inspraak van werknemers bij de inzet ervan op de werkplek, beperkingen op algoritmische surveillance en transparantie bij geautomatiseerde beslissingen met grote gevolgen. De aanbevelingen van Acemoglu zijn wellicht onvolledig. Die onvolledigheid nodigt ons uit om het programma verder uit te werken, en niet om de besluitvorming terug te geven aan de oligopolies die het probleem veroorzaken.

Ondertussen is er geen openbaar beschikbaar bewijs (wel ander?) dat het artikel in The Economist in opdracht van een technologiebedrijf is geschreven of is geproduceerd als onderdeel van een gecoördineerde campagne. Het zonder bewijs een 'gekochte aanval' noemen, zou het argument verzwakken. Een artikel hoeft echter niet letterlijk in opdracht te zijn geschreven om een ideologische functie te vervullen. De functie ervan is om de grenzen van aanvaardbare hervormingen te versmallen. Hij gebruikt wel de hele tijd speciale verwoordingen, en probeert straffe dingen te zeggen zonder dat iemand hem achteraf iets kan kwalijk nemen. Geslepen vos.

Decennialang voelde het liberale establishment zich op zijn gemak met de institutionele economie toen deze de armoede in ontwikkelingslanden verklaarde door corruptie, onzekere eigendomsrechten en autoritair bestuur. Het voelt zich minder op zijn gemak wanneer hetzelfde analytische kader wordt toegepast op het westerse kapitalisme en de vraag wordt gesteld of geconcentreerde bedrijfsmacht, verzwakte arbeid, regressieve belastingheffing en technologisch oligopolie op zichzelf al uitbuitende instellingen zijn.

Het eerdere werk van Acemoglu zou kunnen worden geïnterpreteerd als een verdediging van de liberale orde: inclusieve westerse instellingen zorgden voor welvaart, terwijl 'uitbuiting' de stagnatie elders verklaarde. In zijn recente werk richt hij diezelfde blik op zichzelf. Instellingen die voorheen inclusief waren, kunnen uitbuitend worden naarmate rijkdom zich concentreert, de positie van arbeiders verzwakt, gedeelde welvaart afneemt en er een steeds invloedrijkere alliantie ontstaat tussen AI-bedrijven, kapitaal en de overheid. Dit lijkt op wat ik 'omgekeerde convergentie' noem: in plaats van autoritaire systemen naar westerse normen te trekken, begint het Westen zijn eigen beperkingen, concurrentiegerichte orde en democratische verbintenissen op te offeren. De breuk is moeilijk te missen. De vroegere Acemoglu werd verwelkomd toen 'uitbuiting' werd aangewezen als oorzaak van mislukte staten; de nieuwere Acemoglu wekt weerstand wanneer hij zich afvraagt of het westerse establishment dit van binnenuit zelf veroorzaakt.

Dat is de werkelijk ongemakkelijke Acemoglu. Hij waarschuwt niet alleen voor Trump, Erdogan, Bolsonaro of andere populistisch-autoritaire leiders. Hij vraagt welke mislukkingen van het liberalisme hun opkomst mogelijk hebben gemaakt. Hij rechtvaardigt aanvallen op de democratie niet, maar hij laat gevestigde elites zich ook niet presenteren als onschuldige hoeders van een systeem dat zij zelf hebben helpen discrediteren.

Zijn betoog ontneemt het liberale establishment zijn geliefde morele eenvoud: verlichte instellingen aan de ene kant en irrationeel populisme aan de andere. Daartussenin ligt de politieke economie van verwaarloosde regio's, onzekere werkgelegenheid, afnemende mobiliteit, geconcentreerde rijkdom en burgers die democratie ervaren als periodiek stemmen zonder betekenisvolle invloed op de krachten die hun leven vormgeven.

Hervorming of systemische breuk

Het programma van Acemoglu is misschien niet radicaal genoeg voor de antikapitalistische linkse beweging, maar het blijft te interventionistisch voor marktliberalen. Juist daarom is het van belang. Het probeert een hervormingsgerichte weg te banen tussen neoliberale uitputting (!!) en autoritaire breuk.

De wereld heeft geen gebrek aan waarschuwingen over populisme. Wat ontbreekt, is een politieke economie die in staat is de omstandigheden weg te nemen waaruit het populisme zijn kracht put. De democratie kan niet oneindig lang standhouden als haar verdedigers de burgers lessen in grondwettelijke principes geven, terwijl ze hen economische zekerheid, sociale erkenning en effectieve vertegenwoordiging ontzeggen. Evenmin kan de democratie worden beschermd door louter bewegingen te verbieden die teleurgestelde kiezers aantrekken. Het onderdrukken van politieke symptomen zonder de economische en institutionele ziekte aan te pakken (symptoombestrijding), brengt het risico met zich mee dat de liberale democratie verandert in een heerschappij van verlichte hoeders, liberaal in woord, maar in de praktijk steeds illiberaal.

Dit betekent niet dat elke eis die in naam van "het volk" wordt geformuleerd, moet worden aanvaard. Meerderheden kunnen de rechten van minderheden schenden, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aantasten en autoritaire leiders aan de macht helpen. Zoals Rodrik en Sharun Mukand benadrukken, zijn electorale democratie en liberale democratie niet identiek. Politieke rechten, burgerrechten en eigendomsrechten berusten op verschillende sociale coalities en kunnen met elkaar in conflict komen. Maar het verdedigen van de rechten van minderheden en constitutionele beperkingen kan niet permanent los worden gezien van materiële inclusie. De liberale democratie heeft sociale en economische fundamenten nodig, wat Acemoglu 'gedeelde welvaart' noemt en wat Rawls benaderde via de 'fair value' van politieke vrijheden.

De noodzakelijke hervorming moet daarom verder gaan dan gewone regelgeving. Zij moet de verhouding tussen arbeid en kapitaal, overheidsgezag en particuliere macht, nationale democratie en mondiale markten heroverwegen. Zij moet het hoofd bieden aan oligopolie, belastingontwijking, de achteruitgang van collectieve onderhandelingen, de privatisering van kennis, financiële kwetsbaarheid en de politieke macht die door technologieplatforms is vergaard. Zij moet ook erkennen dat efficiëntie niet het enige criterium is waaraan een economische orde moet worden beoordeeld. Veerkracht, waardigheid, participatie, sociale cohesie en democratische legitimiteit zijn productieve activa, zelfs wanneer conventionele modellen moeite hebben om er een prijs op te plakken.

Dit betekent niet dat elke stelling van Acemoglu juist is. Zijn institutionele categorieën kunnen te breed worden. Zijn verhalen werken wellicht beter achteraf dan als voorspelling. Zijn schatting van de AI-productiviteit vereist wellicht een ingrijpende herziening. Zijn hervormingsagenda heeft behoefte aan duidelijkere instrumenten, sterkere politieke coalities en een haalbare internationale uitvoering. Dit zijn redenen om serieus met Acemoglu in debat te gaan, niet om zijn bijdrage af te doen of te ontkennen.

The Economist wisselt daarentegen af tussen technische bezwaren en retorische neerbuigendheid. Het vraagt zich af waarom instellingen ertoe doen als instellingen voortkomen uit eerdere instellingen. Toch moet elke maatschappelijke verklaring beginnen bij overgeërfde structuren, historische schokken en politieke conflicten. Het beschrijft technologie ten gunste van de werknemer als vanzelfsprekend, terwijl economische prikkels overweldigend in het voordeel zijn van arbeidsvervanging. Het bekritiseert Acemoglu omdat hij de voordelen van technologie onderschat, terwijl het zijn centrale vraag negeert: wie bezit de macht om die voordelen te sturen?

Dus, voor wiens stem spreekt The Economist?

Misschien is het antwoord eenvoudiger dan een complottheorie. The Economist lijkt Acemoglu te willen zien als de institutionele econoom, maar niet als de politieke econoom die zich bezighoudt met geconcentreerde macht. Het blad voelde zich op zijn gemak bij de wetenschapper die uitlegde waarom armere landen betere instellingen nodig hebben; het voelt zich aanzienlijk minder op zijn gemak bij de Nobelprijswinnaar die stelt dat de instellingen van rijke liberale democratieën zelf worden gekaapt en opnieuw moeten worden opgebouwd. Het archief suggereert daarom dat niet alleen de kwaliteit van Acemoglu's wetenschappelijk werk is veranderd, maar ook de richting waarin zijn institutionele blik nu is gericht.

Het (nog steeds The Economist) wil kritiek op autoritair populisme zonder een grondig onderzoek naar de economische orde die de populistische vraag heeft voortgebracht. Het verwelkomt innovatie, maar verzet zich tegen democratische eisen over de richting daarvan. Het accepteert beperkte regulering, maar blijft wantrouwig tegenover elk project dat de beslissingsbevoegdheid zou herverdelen van kapitaalbezitters, digitale platforms en gediplomeerde elites naar werknemers en gemeenschappen.

Dit betekent niet dat het tijdschrift spreekt in opdracht van een verborgen groep technologiemiljardairs. Zijn stem is meer structureel dan samenzweerderig. Het verwoordt het wereldbeeld van een liberaal-kapitalistisch establishment dat de excessen van de bestaande orde erkent, maar terughoudend blijft om de machtsverdeling ervan te heroverwegen. Omdat ze erbij verliezen, uiteraard.

Dit onderscheid wordt doorslaggevend nu de beschikbare beleidsmaatregelen en strategieën hun grenzen naderen. Het monetaire beleid zit klem tussen inflatie en schulden; het fiscale beleid tussen sociale eisen en de discipline van de obligatiemarkt; het industriebeleid tussen nationale veiligheid en vergeldend protectionisme; de democratische politiek tussen verkiezingsconcurrentie en afnemend bestuursvermogen. We voelen de adem van de volgende crisis al. De centrale vraag is niet langer of de kaarten opnieuw geschud zullen worden, maar wie ze mag schudden, en wie na het schudden de baas aan tafel zal zijn.

De verdedigers van de bestaande orde zullen wellicht nieuwe leiders, een nieuw regelgevingsvocabulaire en zelfs een vernieuwde institutionele façade accepteren. Waar ze zich tegen verzetten, is een regeling waarin de groepen die de verliezen van het oude systeem op zich hebben genomen, daadwerkelijke macht over het nieuwe systeem verwerven. De hervorming waar zij de voorkeur aan geven, herverdeelt de kaarten, maar de oude eigenaren blijven de winnaars: regeringen veranderen, technologieën veranderen en de taal van het beleid verandert, terwijl de zeggenschap over kapitaal, data, kennis en politieke invloed in wezen intact blijft.

Vanuit dit perspectief is de aanval op Acemoglu niet alleen van belang omdat deze gericht is op een Nobelprijswinnaar. Hij is een poging om een van de intellectuele wegen te verzwakken die de publieke aandacht leiden van het zichtbare falen van regeringen naar de diepere structuren die hen beperken. Acemoglu moedigt ons aan om niet alleen te vragen waarom één regering faalde, maar waarom opeenvolgende regeringen tegen dezelfde muur aanlopen; niet alleen waarom populisten winnen, maar waarom de liberale democratie de grieven waarop zij zich voeden niet langer verhelpt; en niet alleen of AI de productiviteit verhoogt, maar wie die productiviteit zal beheersen en de opbrengsten ervan zal toe-eigenen.

Hij (de aanval op Acemoglu) is voorstander van hervormingen, mits deze niet uitmonden in een machtsverschuiving. Acemoglu's echte 'misdaad' is niet zijn pessimisme. Het is zijn standpunt dat technologische vooruitgang een politieke keuze is, dat liberale democratie niet los kan worden gezien van gedeelde welvaart, en dat markten de machtsconcentraties die zij zelf hebben gecreëerd, niet kunnen beteugelen.

De ironie is dat Acemoglu juist probeert de liberale orde te redden die The Economist van oudsher heeft verdedigd, en niet te vernietigen. Hij waarschuwt dat, tenzij het kapitalisme in toom wordt gehouden, technologie wordt gedemocratiseerd en welvaart breder wordt verdeeld, de volgende fase geen zuiverder liberalisme zal zijn. Het zal een diepere oligarchie zijn, agressiever populisme en een groeiende autoritaire staat.

Het mondiale systeem raakt door zijn conventionele beleidsruimte heen. De monetaire, fiscale, geopolitieke en technologische tegenstrijdigheden ervan kunnen niet langer worden opgelost door de kosten voor onbepaalde tijd af te wentelen op werknemers, belastingbetalers en toekomstige generaties. Ofwel ontwikkelt de liberale democratie het vermogen om de structuren te hervormen die ongelijkheid, onzekerheid en machtsconcentratie voortbrengen, ofwel zal een toekomstige crisis deze via chaos hervormen.

Men kan het oneens zijn met Acemoglu's modellen, historische interpretaties of oplossingen. Maar zijn centrale waarschuwingen afdoen als somber of voor de hand liggend is geen antwoord. De essentiële vraag is niet langer of de bestaande orde hervorming behoeft. Het is of hervorming kan plaatsvinden vóór de volgende crisis, en of het herschikken van de kaarten een werkelijk nieuwe regeling zal opleveren of slechts de oude winnaars zal reproduceren onder een nieuwe institutionele naam.

Neoliberalisme