Waarom ons concentratievermogen afneemt
There's a Good Reason You Can't Concentrate
Cal Newport, The New York Times, 27-03-2026
Mr. Newport is een professor in computerwetenschappen aan de Georgetown Universiteit, en auteur van "Deep Work" (of in het Nederlands: Diep werk).
Tegenwoordig vinden we het vanzelfsprekend dat voeding en lichaamsbeweging van cruciaal belang zijn voor onze gezondheid en ons welzijn. Maar dat hebben we niet altijd zo gezien. Dit besef is grotendeels in opmerkelijk korte tijd ontstaan, halverwege de vorige eeuw.
In 1955 kreeg president Dwight Eisenhower een hartaanval na het golfen in Denver. Deze gebeurtenis schokte de natie. De president was pas 64 jaar oud en straalde de kracht en vitaliteit van Amerika uit. De toenmalige chirurg-generaal zei dat het horen van het nieuws over de hartaanval voelde alsof hij hoorde over de aanval op Pearl Harbor.
In plaats van zich achter geheimzinnigheid te verschuilen, liet het Witte Huis dr. Paul Dudley White overkomen, een vooraanstaand cardioloog die medeoprichter was van de American Heart Association. Hij zette de toon op het gebied van transparantie. Toen hij de pers te woord stond, deed hij meer dan alleen de toestand van de president toelichten; hij probeerde het publiek in bredere zin voor te lichten over hartproblemen.
"Die dag werden hartaanvallen voor miljoenen Amerikanen minder mysterieus en minder beangstigend", legt een artikel in het New England Journal of Medicine uit, "en White bracht hen de boodschap dat ze maatregelen konden nemen om hun risico te verminderen". Het idee dat voeding een grote rol speelde bij sterfte drong al snel door in het nationale bewustzijn.
Ongeveer tien jaar later publiceerde dr. Kenneth Cooper, een militaire arts die fitnessonderzoek deed voor de NASA, een boek met de titel "Aerobics". Hij bracht een nieuw standpunt naar voren: cardiovasculaire training was van cruciaal belang voor de gezondheid. In een tijdperk waarin mensen steeds vaker een zittend beroep hadden en een op de auto gebaseerde levensstijl leidden in de buitenwijken, benadrukte hij de noodzaak om specifiek tijd vrij te maken voor lichaamsbeweging als een essentieel onderdeel van een lang leven.
Dit was een radicaal idee in een cultuur waarin vrijwillige lichaamsbeweging voornamelijk werd geassocieerd met het leger of sport. "Aerobics" werd een bestseller en miljoenen mensen begonnen te sporten. Volgens Dr. Cooper was, toen zijn boek voor het eerst werd gepubliceerd, minder dan 24 procent van de volwassen bevolking regelmatig aan lichaamsbeweging toegewijd en waren er minder dan 100.000 joggers. Binnen 16 jaar sportte bijna 60 procent van de bevolking, waaronder 34 miljoen joggers.
Het belangrijkste punt is dat veranderingen in ons begrip zich snel kunnen voltrekken. Slechts enkele decennia na Eisenhower en dr. Cooper kregen we de voedselpiramide, de term 'vetarm', de hardlooprage en de video's van Jane Fonda. Amerikanen zouden nooit meer op dezelfde manier naar voeding en lichaamsbeweging kijken.
Op dit moment worden we geconfronteerd met een nieuwe crisis, een crisis die onze geest meer beïnvloedt dan ons lichaam: de negatieve impact van digitale technologie op ons denkvermogen.
Is het tijd voor een nieuwe revolutie?
Toen ik tien jaar geleden mijn boek Deep Work publiceerde, stelde ik dat e-mail en chatberichten ons vermogen om ons te concentreren op veeleisende mentale taken aantastten. Ik adviseerde om lange periodes vrij te maken voor ononderbroken denken en deze cognitieve activiteit te beschouwen als een vaardigheid die je door oefening kunt verbeteren. De term 'deep work' raakte al snel ingeburgerd, en ik hoorde mensen en bedrijven hem gebruiken zonder dat ze zich zelfs maar bewust waren van de oorsprong ervan.
Maar de problemen waarop ik me in 'Deep Work' en in mijn latere geschriften heb gericht, zijn gestaag erger geworden. In 2016 was mijn grootste zorg om mensen te helpen voldoende vrije tijd te vinden voor deep work. Tegenwoordig denk ik dat we in hoog tempo het vermogen verliezen om überhaupt diep na te denken, ongeacht hoeveel ruimte we in onze agenda's voor deze inspanningen kunnen vinden.
De gegevens ondersteunen deze bewering. Onderzoek van Gloria Mark, hoogleraar informatica aan de Universiteit van Californië, Irvine, wijst uit dat onze aandachtsspanne ongeveer een derde is van wat die in 2004 was, waarbij de grootste dalingen rond 2012 plaatsvonden. Uit langlopende enquêtes blijkt dat het aandeel Amerikaanse volwassenen die moeite hebben met basisvaardigheden als lezen of rekenen de afgelopen tien jaar aanzienlijk is gestegen, terwijl het percentage 18-jarigen die aangeven moeite te hebben met denken en concentreren in dezelfde periode sterk is toegenomen. Een artikel in de Financial Times over deze bevindingen stelde een schokkende maar relevante vraag: "Zijn mensen het hoogtepunt van hun hersencapaciteit al gepasseerd?".
Veel van deze achteruitgang in cognitieve vaardigheden werd merkbaar vanaf het midden van de jaren 2010, precies de periode waarin smartphones alomtegenwoordig werden en de digitale aandachtseconomie explosief groeide. Steeds meer onderzoek wijst erop dat deze timing geen toeval is. Een meta-analyse die afgelopen najaar werd gepubliceerd, toonde aan dat het bekijken van korte videoclips, zoals die worden aangeboden door apps als TikTok en Instagram, in verband wordt gebracht met slechtere cognitieve vaardigheden en verminderde aandacht. Bovendien bleek uit de resultaten van een slim experiment uit 2023 dat de loutere aanwezigheid van de smartphones van deelnemers in een ruimte hun concentratievermogen aanzienlijk verminderde.
De groei van AI heeft nieuwe cognitieve zorgen met zich meegebracht. Een studie uit januari, gebaseerd op enquêtes en interviews met meer dan 600 deelnemers, bracht een "significante negatieve correlatie tussen frequent gebruik van AI-tools en kritisch denkvermogen" aan het licht. Een andere recente studie, die de hersenactiviteit volgde van proefpersonen die schreven met behulp van grote taalmodellen, ontdekte dat "de hersenconnectiviteit systematisch afnam naarmate de hoeveelheid externe ondersteuning toenam".
Het verlies van ons denkvermogen is een ernstige zaak. Bijna 40 procent van het bruto binnenlands product van de VS is afkomstig uit zogenaamde kennis- en technologie-intensieve sectoren, variërend van lucht- en ruimtevaartindustrie tot softwareontwikkeling en financiële en informatiediensten. Bedrijven in deze sectoren zetten geavanceerd menselijk denken om in inkomsten; als we onze hersenen verzwakken, dreigen we ook onze economie te verzwakken. Het is opvallend dat de productiviteitsgroei in de particuliere sector stagneerde in de jaren 2010, toen technologie meetbaar meer afleiding ging veroorzaken.
Een verminderd vermogen om onze hersenen te gebruiken heeft ook zorgwekkende persoonlijke gevolgen. Denken is wat ons in staat stelt om informatie in een gecompliceerde wereld te begrijpen. Als president trok Abraham Lincoln zich regelmatig terug in zijn huisje, op het terrein van het Soldiers' Home in de heuvels boven Washington, om de eenzaamheid te vinden die hij nodig had om intensief na te denken over de beslissingen waarvoor hij als opperbevelhebber stond. Een brief uit die tijd van een medewerker van het ministerie van Financiën die Lincoln in die jaren in het huisje bezocht, beschrijft hoe hij de president aantrof "rustend in een brede stoel, met één been over de armleuning. Hij leek diep in gedachten verzonken".
Nadenken is ook een drijfveer om zin te geven aan ons leven en onze morele verbeeldingskracht te ontwikkelen. In 1956, toen de busboycot in Montgomery plotseling nationale bekendheid verwierf, kreeg Martin Luther King Jr. duidelijkheid over zijn levensdoel tijdens een lange periode van stille bezinning op een gedenkwaardige avond aan zijn keukentafel. Hij herinnert zich dat zijn gedachten zich uiteindelijk tot een duidelijke richtlijn vormden: "Martin Luther, kom op voor rechtvaardigheid. Kom op voor gerechtigheid. Kom op voor de waarheid".
In een tijdperk waarin technologieën ons leven onophoudelijk op zijn kop zetten, lijkt het alsof deze cognitieve crisis een fait accompli is – een onvermijdelijk neveneffect van innovaties. Maar moeten we dit gestage verlies van ons denkvermogen echt als onvermijdelijk accepteren? In korte tijd hebben we onze kijk op gezondheid volledig veranderd. Ik ben ervan overtuigd geraakt dat een even snelle ommekeer mogelijk is in de manier waarop we omgaan met ons afnemende denkvermogen.
Hoe zou zo'n revolutie eruitzien? Op het gebied van lichamelijke gezondheid weten we nu dat we ultraverwerkte snacks zoals Doritos en Oreo's grotendeels moeten vermijden. Dit zijn 'Frankenfoods', gemaakt door gangbare ingrediënten zoals maïs en soja te herformuleren met hyper-smakelijke verhoudingen van zout, suiker en vet. Veel van de digitale content die op dit moment onze aandacht trekt, is ook ultraverwerkt, in die zin dat het het resultaat is van enorme databases met door gebruikers gegenereerde content die door algoritmen wordt gezeefd, opgesplitst en opnieuw gecombineerd tot gepersonaliseerde streams die zijn ontworpen om onweerstaanbaar te zijn. Wat is een TikTok-video anders dan een digitale Dorito?
We zouden moeten overwegen om net zo'n krachtig standpunt in te nemen tegen ultraverwerkte content als we al doen tegen ultraverwerkt voedsel. Dat wil zeggen: de meeste mensen zouden deze afleidingen het grootste deel van de tijd moeten vermijden. Net zoals je waarschijnlijk geen Twinkies eet als dagelijkse snack of nog steeds gelooft dat Pop-Tarts een uitgebalanceerd ontbijt vormen, moet je stoppen met het consumeren van ultraverwerkte content. Gebruik geen TikTok. Gebruik Instagram niet. Gebruik X niet. De kortstondige voordelen wegen niet op tegen de nadelen.
Er was een tijd dat zo'n suggestie als excentriek en onuitvoerbaar zou zijn beschouwd. (Ik kreeg zeker mijn deel aan weerstand toen ik voor het eerst suggereerde dat sociale media eigenlijk niet zo belangrijk waren als mensen beweerden.) Maar ik denk dat we, net zoals ons begrip van voeding is veranderd, er nu klaar voor zijn om te accepteren dat de metaforische voedingswaarde van het scrollen door met verontwaardiging doordrenkte berichten en korte filmpjes minimaal is.
Overheden kunnen helpen bij het verbeteren van digitale voeding. In een stap die doet denken aan het verbod op transvetten door de Food and Drug Administration, heeft Australië onlangs wetgeving aangenomen die het gebruik van sociale media verbiedt voor kinderen onder de 16 jaar. In beide gevallen hebben regelgevers naar het bewijs gekeken en geconcludeerd dat de potentiële schade (of het nu gaat om het risico op een hartaanval of een aangetaste geestelijke gezondheid) ruimschoots opweegt tegen de voordelen.
De Verenigde Staten zouden in dit opzicht het voorbeeld van Australië moeten volgen. Zullen sommige kinderen manieren vinden om de ingevoerde veiligheidsmaatregelen te omzeilen? Natuurlijk; dat gebeurt nu al in Australië. Maar de bredere boodschap die dergelijke wetten uitdragen, is belangrijk. Ze herdefiniëren sociale media als iets dat nauwlettend in de gaten moet worden gehouden, vergelijkbaar met leeftijdsgebonden verslavingen als alcohol en tabak – middelen waarvan we hebben geleerd ze met de nodige voorzichtigheid te benaderen.
Om de analogie met lichamelijke gezondheid verder uit te werken, kijken we eens naar lichaamsbeweging. Het cognitieve equivalent van aerobe activiteit is contemplatie: het bewust richten van je innerlijke blik op één enkel onderwerp, met als doel een beter begrip te krijgen. Net zoals de sedentaire levensstijl die halverwege de twintigste eeuw opkwam ons lichaam heeft aangetast, tast ons huidige gebrek aan contemplatie onze hersenen aan.
Wat is het equivalent van deze cardio voor onze kwijnende hersenen? Een goede kandidaat is lezen. Het begrijpen van geschreven tekst traint onze geest op belangrijke manieren. We ontwikkelen wat de cognitieve neurowetenschapper Maryanne Wolf "diepe leesprocessen" noemt, die neurale gebieden herbedraden en hertrainen op manieren die de complexiteit en nuance van wat we kunnen begrijpen vergroten. "Diepgaand lezen is de brug van onze soort naar inzicht en vernieuwende gedachten", schrijft ze. Misschien moet het lezen van enkele tientallen boekpagina's per dag de nieuwe 10.000 dagelijkse stappen worden – een basisactiviteit om cognitieve fitheid te behouden.
Een andere manier om onze hersenen te trainen is door af te stappen van het model waarbij we onze telefoon altijd bij ons hebben. Dit plaatst ons in een onhoudbare mentale omgeving waarin bundels neuronen in onze kortetermijnmotivatiesystemen, die door ervaring zijn getraind om een snelle beloning te verwachten van het kijken naar onze telefoons, constant vuren, waardoor een aanhoudende drang ontstaat om het apparaat op te pakken. Dit maakt elke daad van langdurige contemplatie tot een strijd van wilskracht — een strijd die we maar al te vaak verliezen. Op deze manier wordt het constant bij de hand hebben van onze telefoons een ernstige belemmering voor cognitieve training.
Een oplossing voor dit probleem van de constante metgezel: breng meer tijd door met je telefoon buiten handbereik. Als hij niet in de buurt is, zal hij je motivatie-neuronen minder snel activeren, waardoor je hoofd leeg raakt en je je met minder afleiding op andere activiteiten kunt concentreren. Laten we dit samenvatten in een eenvoudige regel: als je thuis bent, laat je telefoon dan in de keuken opladen in plaats van in je zak. Als je je berichten moet checken of iets moet opzoeken, doe dat dan in de keuken. Als je op een telefoontje wacht, zet dan de beltoon van je telefoon aan. Deze strategie stelt je in staat om deel te nemen aan activiteiten zoals maaltijden, samen een programma kijken of praten met je gezin, zonder de afleiding van het voortdurend willen kijken naar een tweede scherm. Hier toch een kanttekening: er zijn nog andere mogelijkheden. Je kan meldingen immers uitschakelen, zodat die al niet meer storen. Nog beter: gebruik een zgn. 'minimal phone', een telefoon die het gebruik minder aantrekkelijk maakt, zoals de Mudita Kompakt.
Ook onze onderwijsinstellingen hebben hier een rol te spelen, aangezien regels en voorschriften die afleiding in groepsverband beperken, kunnen bijdragen aan de versterking van cognitieve vaardigheden. In de nasleep van het succes van het boek "The Anxious Generation" uit 2024 van de NYU-psycholoog Jonathan Haidt, zijn veel schooldistricten in het hele land begonnen met het verbieden van smartphones in de klaslokalen. Deze maatregelen zijn buitengewoon vruchtbaar gebleken. Een werkdocument uit 2025 van het National Bureau of Economic Research stelde vast dat telefoonverboden op school werden gevolgd door "aanzienlijke verbeteringen" in de testscores van leerlingen; op dezelfde manier meldde driekwart van de 317 middelbare scholen die door een Nederlands onderzoeksteam werden ondervraagd dat telefoonverboden de concentratie verbeterden, en tweederde meldde dat ze het "sociale klimaat" op hun school verbeterden.
Dergelijke maatregelen kunnen ook buiten de klas worden toegepast. Vóór de pandemie experimenteerde Skift, een mediabedrijf voor de zakelijke sector, met een verbod op het meenemen van laptops en telefoons naar interne vergaderingen. In een interview met CNN zei Rafat Ali, de CEO van het bedrijf, dat de regel de communicatie tussen zijn medewerkers verbeterde. "Als je geen regels hebt over laptops, verschuilen mensen zich erachter", zei hij. Dergelijke hervormingen waren misschien moeilijk vol te houden tijdens de coronajaren, maar nu is het een goed moment om ze opnieuw te onderzoeken. In augustus schreef merkstrateeg Adam Hanft een opiniestuk waarin hij voorstelde dat werknemers hun smartphones in een kluisje zouden moeten leggen voordat ze een vergaderruimte binnengaan. "Ontwikkelende geesten hebben focus nodig", schreef hij, daarbij verwijzend naar het succes van telefoonverboden op scholen, "maar dat geldt ook voor zogenaamd ontwikkelde geesten".
In een kantooromgeving vormen de voortdurende eisen van digitale inboxen en chatberichten een nog grotere belemmering om ons brein optimaal te benutten. Uit het Work Trend Index-rapport van Microsoft voor 2025 bleek dat de onderzochte kantoormedewerkers gemiddeld eens in de twee minuten werden gestoord. In 2021 publiceerde ik een boek met de titel "A World Without Email", waarin ik betoogde dat we onze samenwerkingsstrategieën ingrijpend moeten veranderen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van een gestage stroom van heen-en-weer-berichten om ons werk te volbrengen. (Ik kijk naar jou, Slack.) De titel van mijn boek kwam op sommigen vergezocht over – ik maakte wel eens grapjes dat boekverkopers het in de fantasieafdeling hadden geplaatst – maar ik meende het serieus. Als we onze hersenen waarderen, moeten we bereid zijn om ingrijpende veranderingen in de werkcultuur door te voeren.
Generatieve AI brengt zijn eigen uitdagingen met zich mee, vooral wanneer de technologie ons professionele leven raakt. In september verscheen er een opvallend artikel in de Harvard Business Review over de snelle opkomst van 'workslop', dat door de auteurs werd gedefinieerd als 'door AI gegenereerde werkcontent die zich voordoet als goed werk, maar de inhoud mist om een bepaalde taak zinvol vooruit te helpen'. Het resultaat is een tegenstrijdigheid: "Hoewel werknemers grotendeels de opdracht opvolgen om de technologie te omarmen, zien maar weinigen dat deze echte waarde creëert". Een recent onderzoek door onderzoekers van de Boston Consulting Group wees uit dat het uitbesteden van moeilijke taken aan AI leidde tot toegenomen mentale uitputting – een toestand die zij 'brain fry' noemden – vanwege de voortdurende contextwisselingen die nodig zijn om het gedrag van de AI te monitoren en te beheren.
Waarom zouden we AI gebruiken op manieren die het werk uiteindelijk alleen maar vermoeiender maken? Ik vermoed dat we deze tools vaak niet inzetten omdat ze ons beter maken in ons werk, maar omdat ze ons helpen momenten van langdurige concentratie te vermijden. Het is moeilijk om een leeg vel papier onder ogen te zien, dus waarom zouden we niet een middelmatig concept van dat planningsdocument uit een chatbot laten komen? Het verzamelen en analyseren van bronnen voor een marketingrapport is veeleisend, dus waarom zouden we niet een zwerm AI-agenten inzetten om de taak aan te pakken? Het probleem hier is zichzelf versterkend. Bestaande hersenafleiders zoals sociale media en e-mail verminderden ons vermogen om na te denken nog voordat generatieve AI zijn intrede deed, waardoor we, zodra we er toegang toe hadden, meer geneigd waren deze nieuwe tool te gebruiken om mentaal veeleisende taken te vermijden. Tegelijkertijd zal onze cognitieve conditie steeds verder achteruitgaan naarmate we AI op deze manier vaker gebruiken.
Zowel managers als werknemers moeten in kaart brengen wanneer AI best wordt gebruikt. Als de technologie aanzienlijke tijdwinst oplevert, bijvoorbeeld wanneer een gebruiker een L.L.M. vraagt om een grote verzameling documenten door te spitten of een door AI aangestuurde agent vraagt om opmaakfouten in een dataset te corrigeren, dan zijn dat duidelijke voordelen. De auteurs van het artikel over 'brain fry' ontdekten inderdaad dat het gebruik van deze tools om 'routinematige of repetitieve' taken te automatiseren, burn-out verminderde. Maar elk gebruik van AI dat voornamelijk dient om kernactiviteiten cognitief minder veeleisend te maken, moet met de nodige voorzichtigheid worden benaderd. Hier is een eenvoudige regel die dit idee onderstreept: je schrijfwerk moet van jezelf zijn. De inspanning die nodig is om een duidelijke memo of rapport op te stellen, is mentaal vergelijkbaar met een training in de sportschool voor een atleet; het is geen hinderlijke last die moet worden weggenomen, maar een essentieel onderdeel van je vak. Vergelijkbaar: in een toekomst met humanoïde robotassistenten (als die er ooit komt…) zou het wat raar zijn om je robot naar de fitness te sturen…
De problemen die ik hier beschrijf, zullen alleen maar erger worden. Om een ramp te voorkomen, hebben we een ware revolutie nodig ter verdediging van het denken, gericht tegen de digitale krachten die dit willen ondermijnen. Geen schouderophalen meer ("Wat kun je eraan doen? De jeugd van tegenwoordig is nu eenmaal dol op hun apparaten."), geen halfslachtige experimenten met kleine tips ("Schakel meldingen uit" ;-) hij heeft een punt) en geen passieve berusting in de nieuwste tools ("Als ik A.I. niet omarm, word ik vervangen door iemand die dat wel doet")(de boodschap van technologie-adepten en vooruitgangsoptimisten).
De sleutel tot deze transformatie is actie. In de halve eeuw die volgde op Eisenhowers hartaanval daalde het voor leeftijd gecorrigeerde sterftecijfer door hart- en vaatziekten met 60 procent, wat volgens een wetenschappelijke studie "een van de belangrijkste prestaties op het gebied van de volksgezondheid van de 20e eeuw" was. Ondertussen is sporten zo gewoon geworden dat het niet meer opvalt. Alleen al in de Verenigde Staten zijn er nu meer dan 55.000 sportscholen en fitnessstudio's – een realiteit die ondenkbaar zou zijn geweest in het sedentaire tijdperk vóór de publicatie van "Aerobics". Maar de briefings van dr. White en het boek van dr. Cooper waren op zichzelf niet voldoende om deze transformatie teweeg te brengen. Het was de collectieve actie in de nasleep van deze gebeurtenissen die uiteindelijk het belangrijkst was.
In deze periode raakte de overheid sterker betrokken bij het onderzoeken en communiceren van nieuwe richtlijnen over voeding en lichaamsbeweging, net als grote non-profitorganisaties, zoals de American Heart Association van Dr. White. Ook individuen en gemeenschappen begonnen te experimenteren, wat bijvoorbeeld leidde tot een explosieve toename van recreatieve bewegingsvormen en bestsellers, zoals 'The Omnivore's Dilemma' van Michael Pollan, dat mensen de ogen opende voor een meer nuchtere relatie met voedsel. Individuele belangstelling leidde op zijn beurt tot reacties vanuit het bedrijfsleven, zoals de snelle uitbreiding van het aanbod aan fitnessclubs en sportscholen en talloze nieuwe merken voor gezonde voeding (voor zover die niet méér gericht zijn op economisch gewin dan op de volksgezondheid). We hebben nog een lange weg te gaan om de gezondheidsproblemen van ons land volledig aan te pakken, maar door samen te werken hebben we al veel vooruitgang geboekt.
Ik denk dat we eindelijk klaar zijn voor een soortgelijke golf van zichzelf versterkende acties ter verdediging van onze cognitieve fitheid. Wat ik hier heb uiteengezet, is geen compleet programma om ons erfgoed als contemplatieve wezens terug te winnen, maar eerder een nuttig startpunt. Mijn bedoeling is een verschuiving in het begrip te stimuleren die kan uitgroeien tot een grotere revolutie. Ik ben er klaar mee om mijn brein – de kern van alles wat mij maakt tot wie ik ben – af te staan aan de financiële belangen van een klein aantal technologiemiljardairs of aan het kortzichtige gemak van hyperactieve communicatiestijlen (!!!). Het is tijd om niet langer te piekeren over onze afglijding naar cognitieve ondiepten, maar te besluiten er daadwerkelijk iets aan te doen.
We hebben het eerder gedaan. We kunnen het opnieuw doen.
