Vlaanderen op de bres voor het Nederlands op school

Nederlands op school

Er is al decennia lang politieke discussie over het gebruik van het Nederlands in scholen. Dat laatste lijkt evident, maar naar verluidt staat het Nederlands onder druk door de toegenomen immigratie, en de daaruit volgende toestroom van anderstalige kinderen in het Vlaams onderwijs. Eén en ander zou leiden tot dalende PISA-resultaten (PISA = Programme for International Student Assessment, van de OESO). Meteen een hoop opinies op een rij. Tijd voor een analytisch overzicht.

Toename van immigratie

Dat immigratie toeneemt is typisch een bewering die gemakkelijk wordt geuit, in private gesprekken over taalbeleid op scholen, of in de media. Maar klopt ze ook?

Ver moeten we niet zoeken. Op de Wikipedia-pagina Bevolking van België / Bevolking volgens nationaliteit vinden we volgende aantallen voor de jaartallen 2000 – 2010 – 2020:
– Autochtoon 8.422.000 – 8.155.000 – 7.806.000
– Totale bevolking met een migratieachtergrond 1.817.000 – 2.685.000 – 3.687.000
Tussen 2000 en 2020 is de autochtone bevolking afgenomen met 616.000 personen of 7.3%; de allochtone bevolking (of mag dat niet meer gezegd worden?) is met 1.870.000 personen of 103% toegenomen. In 2022 was de netto instroom van +116 544 uitzonderlijk hoog, vooral door vluchtelingen uit Oekraïne. Een deel van de immigranten zijn kinderen op schoolleeftijd; afhankelijk van herkomst (er zijn ook Nederlanders bij), leeftijd en talenkennis ondervinden die een taalprobleem in het onderwijs.

Hierboven zien we aantallen voor "autochtonen" en voor "bevolking met een migratieachtergrond". Ik zie een vlag-en-ladingprobleem. (1) Voor de opdeling autochtoon / allochtoon geldt het MECE-principe. Enerzijds is elke inwoner ofwel autochtoon, ofwel allochtoon, en niet beide (ME: mutually exclusive). Omdat er naast autochtoon en allochtoon geen andere categorieën bestaan, kan je besluiten dat allochtonen en autochtonen samen de hele bevolking uitmaken (CE: collectively exhaustive). (2) Een internationale definitie heb ik nog niet gevonden; wat regelmatig terugkeert is deze: iemand die in België geboren is en wiens ouders en grootouders ook in België zijn geboren, wordt beschouwd als autochtoon in België. Je vindt gemakkelijk variaties waarin "is in België geboren" is gewijzigd in "komt uit België" (wat ook niet gedefinieerd is), en sommigen zeggen twee generaties, andere zeggen drie. Het onderscheid tussen autochtoon en allochtoon is onduidelijk, vanwege de gebrekkige definitie. Een typisch vlag-en-ladingprobleem op basis van een gebrekkige procedure. Dat je allochtonen nog kan opdelen in eerste- tweede- en derdegeneratie maakt geen verschil voor de opdeling autochtoon-allochtoon, maar is evengoed wél weer een vlag-en-ladingprobleem binnen de categorie allochtoon. Het zou mij wel logisch lijken als het aantal beschouwde generaties hetzelfde is bij de definities van zowel autochtonen als allochtonen, m.a.w. ofwel twee, ofwel drie. (3) Het begrip autochtoon wordt wel nog gebruikt, maar allochtoon steeds minder, omdat sommigen (maar wie precies is ook weer niet gedefinieerd…) dat kwetsend vinden. Hier vind je een verklaring in die zin van het Nederlandse Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). "Personen met een migratieachtergrond" is een veel gebruikt alternatief (zoals bij Wikipedia en CBS). Maar het vlag-en-ladingprobleem wordt daardoor niet gewijzigd, en het onderscheid tussen "autochtonen" en "mensen met een migratieachtergrond" wordt niet eenvoudiger. Het blijft mij overigens verbazen dat de term "allochtoon" wél kwetsend zou zijn, en "personen met een migratie-achtergrond" niet, want dat is in feite net hetzelfde. (2)+(3) Over de problematische definitie hoor je zelden of nooit iets in de media, hoewel dergelijke futiele gevoeligheden veel discussies waziger maken, en dus moeilijker. Dit is typisch voor een vlag-en-ladingprobleem: het veroorzaakt verwarring, omdat er iets onduidelijk is, terwijl niemand weet wat precies. Op die manier worden vermijdbare meningsverschillen veroorzaakt en gevoed. (4) Het begrip nationaliteit wordt niet gebruikt omdat dit geen verband houdt met een mogelijk taalprobleem. Een inwijkeling kan immers de nationaliteit krijgen vooraleer hij de taal vlot spreekt. Tiens, zou dat geen…?

Nu is Wikipedia misschien de gemakkelijkste bron, maar niet per definitie de betrouwbaarste. Kunnen we elders een bevestiging vinden van de toename van het aantal anderstalige leerlingen in het onderwijs? Hiervoor kunnen we terecht bij het rapport PISA 2022 Results (Volume I) van de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OECD in het Engels), meer bepaald in de sectie 7. Immigrant background and student performance. De figuur I.7.2 toont de percentages studenten met een immigratie-achtergrond in heel wat landen, waaronder België, in de jaren 2012, 2015, 2018 en 2022 (de PISA-testen worden 3-jaarlijks georganiseerd, met uitstel in 2021 omwille van de coronacrisis). De trend is duidelijk (bekijk de figuur): de percentages stijgen. (1) Dit is één van die beelden die in duizend woorden niet te beschrijven valt. (2) Kan het mij wat schelen of jij een migratie-achtergrond hebt of niet? Neen, mij niet, maar de OESO wel. Vragen omtrent de herkomst van voorouders zijn ja/nee vragen met een eenduidig antwoord; een vraag over taalkennis is dat niet. Bijgevolg kan de herkomst wel als onderscheidend criterium gebruikt worden, maar de taalkennis niet. Daarom wordt herkomst gebruikt als surrogaat voor de taalkennis.

Een gelijkaardige trend zien we in figuur I.7.4, die de toename toont van het percentage anderstalige studenten (thuistaal verschillend van de instructietaal), wat niet per se hetzelfde is als een immigratie-achtergrond, maar wel meer bepalend is voor taalproblemen op school. Conclusie: het percentage anderstalige kinderen op school neemt toe.

Dalende PISA-resultaten

Uit een toename van het aantal anderstalige leerlingen volgt een toename van de taalproblematiek, via (1) de verstoring van de opdracht van de leerkrachten, die niet zijn opgeleid om tegelijk eindtermen te realiseren en diverse anderstaligen Nederlands aan te leren, wat een impact heeft op de hele klas, en (2) het achterblijven van individuele anderstalige leerlingen omwille van taalachterstand. Beide te onderscheiden aspecten kunnen een negatieve impact hebben op de resultaten van de PISA-test, (1) algemeen, en (2) voor bepaalde groepen leerlingen. Vinden we dat terug in de rapporten? In Facebook termen: het is ingewikkeld. Ik vertaal een paragraaf uit het rapport van 2022 (dat je hier kan afladen in PDF-formaat):

Algemeen – Omdat verschillen in prestaties van leerlingen met een migratieachtergrond verband houden met verschillen in (1) de sociaaleconomische status en (2) taalkundige achtergrond van leerlingen (a) met en (b) zonder migratieachtergrond, is het belangrijk om rekening te houden met de achtergrond (1+2) van deze leerlingen. Zoals blijkt uit de onderstaande analyses (volgende paragraaf), zijn de netto verschillen (tussen a en b) (d.w.z. na rekening te hebben gehouden met de achtergrond (1+2) in wiskundeprestaties van leerlingen met een migratieachtergrond doorgaans kleiner dan de ruwe verschillen (tussen a en b) (d.w.z. vóór rekening te hebben gehouden met de achtergrond (1+2)), wat betekent dat er minder prestatieverschillen zijn tussen leerlingen (a) met en (b) zonder migratieachtergrond wanneer deze twee groepen leerlingen met een vergelijkbare (1) sociaaleconomische status en (2) thuistaal worden vergeleken. Beetje ingewikkeld, maar het komt hierop neer: als we alleen leerlingen selecteren met vergelijkbare sociaaleconomische status, en vergelijkbaar qua thuistaal (al dan niet thuistaal gelijk aan de instructietaal), dan blijken binnen zo'n geselecteerde groep de verschillen tussen (a) met en (b) zonder migratieachtergrond veel kleiner te zijn. Dit toont aan (suggereert, eerder) dat beleid dat (1) de sociaaleconomische en (2) taalkundige barrières voor immigrantenstudenten aanpakt, de prestaties van immigrantenstudenten (b) kan verbeteren. Een verbetering van de houding ten opzichte van immigranten in hun gastland en het creëren van een meer diversiteits- en multiculturalismevriendelijke schoolomgeving, kan de resultaten van immigrantenstudenten nog verder verbeteren. Ik veronderstel dat dit laatste niet uit de PISA-testen volgt; ik heb er alvast niets van gezien in de resultaten (maar ik kan iets gemist hebben). In dat opzicht is deze vermelding jammer, omdat ze voedsel geeft aan de opinie dat welbevinden noodzakelijkerwijze voorafgaat aan taalbeheersing, terwijl het omgekeerde zeker ook geldt, mogelijk zelfs méér, omwille van het aspect integratie (voor wie dat belangrijk vindt, want dat is blijkbaar niet iedereen; zie hier).

SpecifiekFiguur I.7.7 toont de verschillen in wiskundeprestaties van leerlingen in verband met hun immigratieachtergrond (hierna aangeduid als de "immigratiekloof" in de prestaties van leerlingen). Hier volgen de cijfers die de redenering in de vorige paragraaf ondersteunen. Gemiddeld scoorden niet-immigrantenleerlingen in de OESO-landen 29 punten hoger dan immigrantenleerlingen in wiskunde, voordat rekening werd gehouden met de achtergrond van de leerlingen. Zodra echter rekening werd gehouden met de sociaaleconomische status van de leerlingen, verkleinde de immigratiekloof in wiskundeprestaties ten gunste van niet-immigranten tot 15 punten. Bovendien, nadat rekening was gehouden met de sociaaleconomische status van de leerlingen en de thuis gesproken taal, verkleinde het verschil in punten ten gunste van niet-immigranten nog verder tot gemiddeld slechts 5 punten in de OESO-landen.

Ik heb het regelmatig over gebrekkige aspectscheidingen, maar dat is ook niet altijd simpel. In een analyse zoals dit blogartikel moet je dikwijls een keuze maken welke aspecten je meeneemt en welke niet. Een voorbeeldje. De PISA-rapporten gaan tamelijk ver in de statistische verwerking van de resultaten, en zeggen bv. dat wereldwijd gemiddeld 11 % van alle 15‑jarige leerlingen anderstalig zijn, en dat dit bij leerlingen met een migratieachtergrond veel hoger ligt, nl. gemiddeld 62 % bij eerste-generatie- en 44 % bij tweede-generatie-migranten. Het aspect eerste of tweede generatie wordt door de OESO terecht opgemerkt, en meegenomen in de rapportering. Voor mijn artikel gaat dat echter te ver in detail, dus laat ik het weg. Maar bij het interpreteren van een complex rapport als PISA kunnen gemakkelijk fouten gemaakt worden bij het afleiden van conclusies, en door het weglaten van aspecten. Een praktijkvoorbeeld. In de blog Kwaliteitsdaling in het onderwijs. Schuld van migratie? van de KU Leuven beweert Orhan Agirdag op basis van het PISA-rapport 2022 het volgende: "omdat leerlingen met een migratieachtergrond beter presteren en hun aandeel stijgt in de populatie, is de gemiddelde daling van onderwijsprestaties in Vlaanderen getemperd dankzij leerlingen met een migratieachtergrond", wat niet overeenkomt met de paragraaf hierboven. Hier wordt gespeeld met basale fouten om bepaalde elementen uit het rapport toch maar zodanig te interpreteren dat ze passen in de ideologie van de schrijver. Eigenlijk moet je het artikel zelf lezen om het te geloven. Aan dat blogartikel zijn bovendien enkele reacties toegevoegd, die zeker zo interessant zijn als het artikel zelf.

Dus hoe meer kinderen met een migratieachtergrond, hoe lager de PISA-resultaten? Niet echt. De sectie Verschillen in prestaties van leerlingen met een migratieachtergrond begint met de verklaring dat "PISA 2022 geen grond biedt voor de bewering dat een groter aandeel leerlingen met een migratieachtergrond verband houdt met slechte onderwijsresultaten in gastlanden". Als dat klopt moeten we daaruit afleiden, zoals de vorige paragrafen aantonen, dat (1) niet de migratieachtergrond een belangrijke factor is, maar wel (2) de sociaaleconomische status, en (3) de thuistaal. Ook dit is weer een mooi voorbeeld van het gevolg van een gebrekkige aspectscheiding, en meteen ook van de reden waarom die zo moeilijk te vermijden is: migratieachtergrond, sociaaleconomische status en taalbeheersing zijn zodanig verweven dat het ene gemakkelijk wordt aangezien voor het andere. Deze drie elementen 1-2-3 (en er zijn er allicht nog meer, zoals persoonlijkheidskenmerken) komen samen in de klas, maar met een verschillend effect. (1) De migratieachtergrond is wat hij is. Door omstandigheden in hun moederland willen sommige mensen in een ander land gaan leven. Uitspraken als Wir schaffen das, en politieke pogingen om in herkomstlanden emigratie te ontraden, spelen daarin een rol. Daar heeft een school geen greep op. (2) Ook de sociaaleconomische omstandigheden liggen buiten het bereik van de school. Bestuur en leerkrachten doen hun best om de gevolgen daarvan (zoals lege boterhamdozen) op te vangen, maar dat heeft geen directe invloed op de schoolresultaten. (3) De taalbeheersing heeft net wél een directe invloed op de resultaten; wie de taal niet begrijpt en spreekt kan de leerstof minder goed opnemen, én kan minder goed de eigen kennis aantonen.

Omdat taalonderricht een vorm van opleiding is, de kerntaak van scholen, lijkt het logisch dat de scholen dit probleem zelf oplossen, en de taalbeheersing van leerlingen en studenten bijspijkeren. Maar. Taalopleiding is een specifiek aspect, lagere- en middelbare schoolopleiding is algemeen. Dat de combinatie niet evident is, wordt aangetoond door de daling van de PISA-resultaten en van de leerkrachtenmotivatie (!) in de laatste paar decennia. De oorzaak is simpelweg de basale fout parallelle processen. De scholen volgen een opleidingsmethode, met de eindtermen als richtlijn, maar anderstalige kinderen remediëren hoort daar niet bij, ook al doen leerkrachten wat ze kunnen. Hét kenmerk van parallelle processen is dat ze geen van beide goed werken. In dit geval: de taalbeheersing wordt onvoldoende verbeterd, en de algemene resultaten gaan achteruit. Als de beide processen noodzakelijk zijn, dan is de logische oplossing ze niet parallel te plaatsen, maar achter elkaar, in een logische volgorde. In dit geval: eerst de taalbeheersing op peil brengen, dan de reguliere opleiding doorlopen. De Vlaamse regering lijkt dat intussen ook te begrijpen.

De minister neemt actie

Als de bres niet wordt gedicht dreigt een dijkbreuk. De Vlaamse Minister van Onderwijs neemt de koe bij de horens, en ontwikkelt een conceptnota "Ieder kind taalheld", met volgende samenvatting: "Het plan wil de taalkennis van leerlingen verbeteren door middel van drie pijlers: professionalisering van het basisonderwijs, voorkómen (!) en remediëren (bijspijkeren) van taalachterstand en hervormen van het onthaalonderwijs. Het uiteindelijke doel is goed onderwijs aan te bieden aan elk kind, ongeacht zijn achtergrond, en gelijke kansen te creëren door een betere kennis van het Nederlands". De conceptnota werd op vrijdag 4 juli 2025 door het Vlaams Parlement goedgekeurd. Nu ga ik gokken. Op vrijdagavond werden allicht de potloden geslepen, in het weekend werden reacties geschreven en verstuurd, die werden op maandag geredigeerd, met als gevolg een explosie aan artikels op dinsdagmorgen 8 juli; hieronder fileer ik er vijf. Van de dagen daarna volgen er nog drie. Enkele oudere artikels over diverse aspecten van de taalproblematiek komen eerder aan bod, in chronologische volgorde, maar worden afgesplitst in achtergrondartikels.


Overzicht

Vooraf

1 – Meertaligheid op school: wat zeggen de onderwijsexperten? – Brigitte Vermeersch op 27-11-2017 bij VRT NWS – Zij citeert Dirk Van Damme en Piet Van Avermaet, twee specialisten met een tegengestelde visie. Zie mijn bespreking in het achtergrondartikel Anderstaligen op school (het gaat immers om anderstaligen, niet om meertaligen). Dat meerdere "specialisten" een andere visie kunnen hebben (wel vervelend!) betekent dat je er altijd meerdere zou moeten raadplegen om een probleem effectief te kunnen oplossen. Dat dat doorgaans niet gebeurt, maar je integendeel een specialist kan zoeken om een bepaalde mening te versterken, is een drijfveer van polarisatie.

2 – Onderwijsspecialist Dirk Van Damme wil anderstaligen in aparte klassen zetten: "Je neemt ze apart zodat ze nadien sneller kunnen bijbenen"Xavier Vuylsteke de Laps op 29-06-2023 bij VRT NWS – Dit is een pleidooi voor remediëring van taalproblemen buiten de reguliere klassen. Ik fileer het artikel in Anderstaligen in aparte klassen?.

3 – Hebben meertalige kinderen een slechter rapport? – Ik maakte op 07-03-2024 zelf een analyse van de gelijknamige presentatie door Orhan Agirdag, voor de Universiteit van Vlaanderen, waarin de begrippen meertalig en anderstalig eerder ongegeneerd door elkaar gehaald werden. De presentatie leek ook vooral te gaan over appreciatie voor een migratieachtergrond, eerder dan over een taalprobleem.

4 – Forza Ninove schrapt subsidies voor informele taalklassen, expert: "Er is net extra nood aan informele oefenmomenten" – Helena DeBouver op 12-12-2024 voor Radio 2 – Een sociaal initiatief voor integratie van anderstaligen in Ninove krijgt geen steun van de Vlaams Belang meerderheid, hoewel die evengoed het belang van het Nederlands onderschrijft. Ik werp een licht op de zaak in Subsidies voor informele taalklassen geschrapt.

5 – Gelijkheidsdenken sloopt onze welvaart – Peter De Keyzer op 25-06-2025 in Trends – Hij hekelt de lat die omlaag gaat en pleit voor waardering van verschillen tussen individuen. Zie de filering in Gelijkheid heeft haar grenzen.

8 juli 2025

6 – Van extra taaluren tot aparte taalklassen: zo wil Vlaamse regering kennis van Nederlands op school bijspijkeren – Stefan Grommen voor VRT NWS – Een kort overzicht van de inhoud van het taalplan, en een bedenking bij het te verwachten personeelstekort. Zie de bespreking.

7 – Demir stuurt kinderen die het Nederlands onvoldoende beheersen naar aparte taalklassen – Klaas Maenhout in De Standaard – Zelfde taalplan, andere lezing. Vreemd hoe artikels over hetzelfde onderwerp zo verschillend kunnen zijn. Zie de bespreking.

8 – Gescheiden taalklassen: de lat hoog voor de een, apartheid voor de ander – Orhan Agirdag in De Standaard – Hij kan het niet laten. Termen als 'segregatie' zijn weer niet van de lucht; zie de filering.

9 – Onderwijsexpert maakt brandhout van Demirs aparte taalklassen: "Een goedkope oplossing die de schuld bij kinderen legt" – Kubra Mayda in De Standaard – Zij interviewt die andere vaste waarde in de discussie, Piet Van Avermaet, compaan van Agirdag. Ik fileer de tekst.

10 – Sceptische reacties op taalplan minister Demir: ambitieus, maar wellicht weinig realistisch of maat voor niets – Rik Aernout bij VRT NWS – Hij geeft een overzicht van de standpunten van diverse politieke partijen (en dat van Van Avermaet, nog eens). De oppositie is eensgezind over het personeelstekort. Zie de bespreking.

Nakomers

11 – Er is niks sociaals aan een kind droppen in een klas waar het de leraar niet begrijpt – Wouter Duyck op 09-07-2025 in De Standaard – Deze cognitief psycholoog schrikt niet terug voor polarisatie of een sneer naar concullega's, maar maakt wel een punt. Zie de bespreking.

12 – Aparte taalklassen zijn een goed idee, zeker voor leerlingen die het Nederlands wel beheersen – Hugo De Wulf op 13-07-2025 in De Standaard – Een oud-schooldirecteur wijst terecht op het vergeten belang van de Nederlandstalige leerlingen in heel de discussie. Zie de filering.

13 – Als er vertrouwen is, volgt de taal vanzelf. Maar Demir doet het tegenovergestelde – Jamila El Baroudi op 13-07-2025 in De Standaard – Dat kennis van het Nederlands primordiaal is voor de effectiviteit van een opleiding in een Nederlandstalige school wordt blijkbaar niet door iedereen erkend. En dat terugplooien op het thuisland leidt tot het tegenovergestelde van integratie kan sommigen blijkbaar niet interesseren. Zie de filering.


Dinsdag 08-07-2025


6 – Van extra taaluren tot aparte taalklassen: zo wil Vlaamse regering kennis van Nederlands op school bijspijkeren

Instapklasjes voor peuters, extra taaluren voor kleuters, aparte taalklassen in de lagere school en het middelbaar: met een hele rist ingrepen probeert de Vlaamse regering de kennis van het Nederlands op school fors bij te spijkeren. Voor Vlaams minister van Onderwijs Demir (N-VA) kan het niet snel genoeg gaan, want "het taalprobleem in ons onderwijs is nog nooit zo groot geweest."

Stefan Grommen, VRT NWS, 08-07-2025

Grommen was voordien nieuwschef online bij De Morgen; dat kan een politiek tintje geven aan het artikel. Het aantal kinderen dat thuis geen Nederlands spreekt, is volgens minister Demir in de voorbije 10 jaar gestegen van 18 naar 27 procent. "Het taalprobleem in ons onderwijs is nog nooit zo groot geweest", benadrukt ze. Ze lijkt een direct verband te leggen tussen het percentage anderstaligen en het taalprobleem. "En kinderen die thuis geen Nederlands spreken, hebben slechtere resultaten, zo leren onderzoeken, en hebben 3 keer meer kans op schooluitval."

"Taalachterstand is een last die je een leven lang meesleurt", legt Demir uit. "Hoe sneller we die van de schouders van kinderen halen, hoe sterker ze in de klas en in het leven staan." En dus komt ze met een breed plan, dat start bij de jongste kinderen en doorloopt tot in het middelbaar. Taalachterstand hoeft uiteraard geen achterstand te blijven voor wie zich blijft ontwikkelen. Maar als je als leerling je plan leert trekken met een taalachterstand, dan sleur je dié vaardigheid uiteraard wel een leven lang mee. Dus dat wordt best zo vroeg mogelijk aangepakt. Jong geleerd is oud gedaan. Of zoals de conceptnota zegt: jong geleerd is met plezier gedaan.

Lees ook: Het einde van de smartphones, invulboeken, pedagogische studiedagen en vlakke loopbaan: wat gaat er de komende vijf jaar in het onderwijs veranderen?

Van peuter tot tiener

  • Zo wil ze al voor peuters (?) 'instapsprongen' voor Nederlands organiseren, waarbij ze op een speelse manier hun eerste woordjes Nederlands leren. "We willen dat kinderen in de eerste kleuterklas toch al een basiswoordenschat verstaan. OK. Dat zal in de vakantie worden gedaan, een beetje naar het model van de zomerscholen die we nu al kennen." Ook de ouders worden daar zoveel mogelijk bij betrokken (al is het om de pampers te wisselen). "Zo weten ouders ook wat het schoolse leven inhoudt en wat we van hen verwachten." (1) Slim gezien, maar organiseer dat maar eens. Nog mensen tekort waarschijnlijk…? (2) Zou ze daarvoor naar de crèches gaan?
  • Kleuters worden vanaf 2,5 jaar gescreend (amai) op eventuele taalachterstand (vermoedelijk met de KOALA-test). Mocht die er zijn, krijgen de kinderen tot 3 uur per week extra taalondersteuning in kleine groepjes. Dat kan zelfs verplicht worden om toegelaten te worden tot het volgende leerjaar. Ook slim gezien. Wel moeilijk om een evenwicht te vinden tussen streng zijn en motiveren, lijkt mij.
  • Vanaf het schooljaar 2026-2027 komen er ook extra 'taalheldklassen' in het lager onderwijs voor anderstalige nieuwkomers. Die kunnen immers op elke leeftijd instromen. Die aparte taallessen hebben als doel om leerlingen vanaf het tweede leerjaar zo snel mogelijk bij te spijkeren in het Nederlands, zodat ze na 6 weken tot maximum 2 jaar (oeps?) opnieuw kunnen doorstromen naar de gewone lessen. De klassenraad krijgt daar het laatste woord over. De 'taalheldklassen' in de lagere school zullen trouwens netoverschrijdend worden georganiseerd, "want we kunnen dat onmogelijk op elke school doen", zegt Demir. "De koepels zullen daarvoor dus moeten samenwerken." Het begin van het einde van de koepels? Leerlingen die een kleinere taalachterstand hebben, kunnen ook tot 3 uur extra remediëring (mooi woord voor 'bijspijkeren') per week krijgen, in kleine groepjes. Scholen kunnen zelf kiezen of ze dat binnen de gewone lesuren of erbovenop doen. Toch wat ingewikkeld allemaal.

Luister: Ieder kind "Taalheld": minister Demir wil taalprobleem in onderwijs aanpakken

  • In het middelbaar kan de klassenraad leerlingen met taalachterstand 3 uur extra Nederlands opleggen. OKAN-klassen worden ook hervormd tot volwaardige taalklassen, om anderstalige nieuwkomers sneller te kunnen laten doorstromen tot de gewone lessen. Ook de B-stroom ('beroeps') wordt in die zin hervormd.
  • Minister van Welzijn Caroline Gennez (Vooruit) steunt Demirs plan overigens door ook extra te investeren in onderwijsmiddelen voor buitenschoolse opvang, zoals huiswerkbegeleiding, en kinderopvang. "We maken niet enkel werk van duizenden nieuwe, betaalbare plekken in kinderopvang (heeft geen verband met het taalplan), maar we zorgen er ook voor dat die plekken meer dan ooit echt plekken zijn waar ze Nederlands leren (maar dát wel). Het plan lijkt inderdaad in de crèches te beginnen. Bijvoorbeeld door kinderbegeleiders te ondersteunen als echte taalcoaches." Ze gaan niet genoeg controleurs vinden.

Lees ook: Steeds meer studenten in hoger onderwijs spreken thuis geen Nederlands, maar hun slaagkansen liggen lager

Extra personeel nodig

Een groots plan – goed voor een investering van 400 miljoen euro – en dus (?) ook een hele inspanning voor scholen, die nu al vaak kampen met een lerarentekort. Demir beseft dat en wil daarom liefst vermijden dat leerkrachten uit het gewone lessencircuit worden gehaald om de extra taallessen te geven.

Nochtans zullen er naar schatting 1.000 tot 2.000 extra mensen nodig zijn om het plan echt te doen slagen. "Een huzarenstukje", zegt Demir. Daarom rekent ze ook op logopedisten, taalkundigen, gepensioneerde leerkrachten, vertalers, tolken en zelfs externe organisaties zoals de Taalunie om die lessen te geven. Dat is nog eens een idee! Als die linguïsten zich nu eens inzetten om nieuwkomers standaard Nederlands te leren, in plaats van de taalvariatie te bestuderen aan de hand van online corpora, dan kunnen ze het Standaardnederlands al niet verder ondergraven (zie Normen en taalevolutie). Er komen ook nieuwe, gratis bijscholingen voor taalexperten en leerkrachten.

Over de verantwoordelijkheid van de ouders wordt momenteel nog weinig gezegd in het plan. Maar daar wil Demir vanaf september werk van maken, zegt ze in De Ochtend. Het plan gaat in werking september 2026. Anderstalige ouders zullen in de toekomst ook Nederlands moeten leren, zoniet dreigen ze een deel van het kindergeld te verliezen. Ambitieus… Hebben ze dat al niet eens geprobeerd?


08-07-2025 Klaas Maenhout

7 – Demir stuurt kinderen die het Nederlands onvoldoende beheersen naar aparte taalklassen

De Vlaamse regering rolt een ingrijpend plan uit om het Nederlands op school te versterken. Kinderen die de taal onvoldoende beheersen, zullen in een aparte klas terechtkomen. "Het taalprobleem is nooit eerder zo groot geweest."

Klaas Maenhout, De Standaard, 08-07-2025

Van ieder kind een "taalheld" maken (de term 'taalheld' komt vermoedelijk van pedagogen). Daar ligt de komende jaren de absolute prioriteit van minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA). De Vlaamse regering keurde vrijdag haar plan goed om een turbo te zetten op het Nederlands in ons onderwijs. De komende jaren stroomt er bijna een half miljard naar het taaloffensief.

De premisse van Demir is helder: taal is ons fundament. "Een grondige kennis van het Nederlands is essentieel voor succes in het onderwijs, de kansen op de arbeidsmarkt en in het sociale leven", staat in de nota. De minister verwijst zelf naar de slabakkende resultaten voor Nederlands en de groeiende groep die een andere thuistaal heeft (voor meer informatie over het verband, zie de inleiding). "Het taalprobleem in ons onderwijs is nooit eerder zo groot geweest", stelt ze vast. "Dat vereist maatregelen die nooit eerder genomen zijn." Ook logisch.

De taalturbo kondigt een revolutie (oeps?) in het basisonderwijs aan. Op de leeftijd van 2,5 jaar verwacht de minister een eerste taalscreening van peuters en kleuters. Peuters die nog geen of onvoldoende Nederlands kennen, worden doorverwezen naar nieuwe instapklassen. Hebben ze daarvoor wel genoeg lokalen? Ook hun ouders worden daarop uitgenodigd. Er zal daarin onder meer worden ingezet op taal, schoolse beleving en het belang van zindelijkheid. Allemaal de pot op. In de kleuterklas zullen kleuters die daar nood aan hebben, vervolgens een-op-een of in kleine groepjes bijgewerkt worden tijdens de lesuren.

Vanaf het schooljaar 2026-2027 komen er ook "taalheldklassen". Dat is een gescheiden traject van één of twee schooljaren voor kinderen met onvoldoende kennis van het Nederlands vanaf het tweede leerjaar. Lijkt mij toch wel straf, op twee manieren: het is gedurfd, en het zal allicht door betrokkenen opgevat worden als een straf voor gebrekkige kennis van het Nederlands. Het doel van die klassen is om leerlingen zo snel mogelijk weer in de gewone klassen te laten plaatsnemen, maar dus mét voldoende bagage. "Er is niets stigmatiserends aan om kinderen uit de klas te halen en extra taalaandacht te geven", benadrukt Demir. "Wat wel stigmatiserend en frustrerend is voor een kind, is blijven achterophinken terwijl klasgenootjes sneller vooruitgaan." Het is niet omdat Demir dit niet stigmatiserend vindt, dat anderen die mening zullen volgen. Stigmatiseren is trouwens een eigenschap van wie stigmatiseert, niet van de geviseerde. Die laatste zin is dus wel heel vreemd. Maar 'frustrerend' kan uiteraard wel kloppen, zeker voor kinderen die vooral omwille van taalachterstand niet meekunnen.

De expliciete focus op de eerste levensjaren is niet toevallig. "Taalachterstand is een last die je een leven lang meesleurt", zegt Demir. "Hoe sneller we kinderen daarvan verlossen, hoe sterker ze in de klas en in het leven staan." Gezond verstand. De minister kijkt ook naar andere domeinen, zoals cultuur en welzijn. Ze krijgt daarbij de steun van minister van Welzijn Caroline Gennez (Vooruit). In het plan staan voorstellen over huiswerkbegeleiding in bibliotheken (vermoedelijk als neutrale lokalen binnen een scholenregio), taalstimulerende activiteiten in de voor- en naschoolse opvang (in plaats van sociale media scrollen; OK!) en een kennis- en innovatiecentrum voor de kinderopvang (oeps, dat neigt naar wetenschappelijk onderzoek…). "Een goede kennis van het Nederlands start in het eerste levensjaar. Met meer betaalbare (?) kinderopvang en kinderbegeleiders als echte taalcoaches", aldus Gennez. De crèches worden mee betrokken in het plan. Verbazend hoe dingen kunnen veranderen als de CD&V bevoegdheden loslaat.

Extra taalles

Door de nieuwe maatregelen krijgt het basisonderwijs de facto een Okan-werking – een traject voor anderstalige nieuwkomers. Dat bestaat nu alleen in het secundair onderwijs. In het basisonderwijs was immersie-onderwijs de norm. Anderstalige leerlingen kwamen in reguliere klassen terecht. De huidige Okan-werking in het secundair wordt hervormd en omgedoopt tot "taalklassen". OKAN staat voor OnthaalKlas Anderstalige Nieuwkomers. Op de site van de Vlaamse Overheid staat 'onderwijs' in plaats van klas, en is ook sprake van het basisonderwijs. De reden daarvoor is dat er in het basisonderwijs momenteel geen aparte klassen zijn voor anderstalige nieuwkomers om Nederlands te leren, zoals dat in het secundair wel bestaat, maar dus wel immersie-onderwijs, of 'onderdompeling'. Je kan je voorstellen dat je bij een onderdompeling wel denkt aan zwemmen, maar niet aan aardrijkskunde of de Vlaamse canon. Dus de OKAN-werking in aparte klassen wordt nu doorgetrokken naar het basisonderwijs.

Ook voor leerlingen met een taalachterstand die niet in zo'n aparte klas thuishoren (omdat ze al een basis Nederlands hebben), worden extra trajecten ontwikkeld. Zowel in het basisonderwijs als in het eerste jaar secundair onderwijs kunnen ze drie uur per week extra taalles opgelegd (?!) krijgen (strafstudie…). De klassenraad kan die extra uren opleggen, ook als het schooljaar al begonnen is.

In het basisonderwijs heeft men de keuze om dat tijdens (?) of na de schooluren te doen (de ouders moeten volgen). De secundaire school organiseert die drie uur verplicht boven op het lessenrooster voor deze leerlingen. De nota stelt "bijvoorbeeld na de schooluren en op woensdagnamiddag" voor en suggereert dat die lessen "idealiter door leerkrachten Nederlands gegeven worden".

Meer personeel gezocht

Voor de trajecten zal extra personeel nodig zijn – niet evident in tijden van lerarentekort. Een ruwe schatting gaat uit van zo'n 1.000 à 2.000 extra mensen. De regering kijkt daarvoor naar gepensioneerde leraren, logopedisten, flexi-jobbers, taalexperts, vertalers, tolken en germanisten. "Maar ook de Taalunie zal (?) bijspringen (alsof dat als vastligt)", zegt de woordvoerder van Demir. "En leraars mogen (…) tot 140 procent overwerken. Alle beetjes helpen."

De regering gaat verder inzetten op de bijscholing van kleuterleerkrachten en wil van alle leraars taalexperts maken (oeps; dan gaan er velen hun tussentaal moeten bijschaven, en het verschil tussen noemen en heten moeten begrijpen). Verder worden de leermiddelen versterkt en wordt de Koala-toets, voor kinderen in de derde kleuterklas, geactualiseerd en vernieuwd. Scholen zullen ook verplicht worden om de resultaten van de taalscreening bij kleuters te rapporteren. Daarvoor wordt een juridisch kader ontwikkeld.

Opvallend is dat zowel de begrippen meertaligheid als sanctionering niet voorkomen in de conceptnota. 'Meertaligheid' is ook OK, het is de 'anderstaligheid' die problemen veroorzaakt. Het onderwijsveld had zich over dat laatste grote zorgen gemaakt. In de communicatie van de minister lag de nadruk eerst op het straffen van ouders die hun verantwoordelijkheid ontliepen (als ze dat begrip al kennen; bestaat dat wel in elke taal?). Stefan Grommen (vorige artikel) maakte daar nochtans wel gewag van. Vreemd.


8 – Gescheiden taalklassen: de lat hoog voor de een, apartheid voor de ander

Het is verontrustend dat stevige wetenschappelijke bewijzen tegen segregatie (?!) in het onderwijs de minister niet lijken te bereiken, schrijft Orhan Agirdag. Zodra leerlingen in aparte groepen belanden, dalen de verwachtingen, en de prestaties zakken mee.

Orhan Agirdag, Hoogleraar in de pedagogische wetenschappen (KU Leuven), De Standaard, 08-07-2025

September 1990, Bree. Als zesjarige nieuwkomer loop ik mijn eerste schooldag binnen zonder één woord Nederlands te kennen. Immersie! Orhan Agirdag heeft gezwommen. Ik herinner me nog de schaamte omdat ik niet wist hoe ik "mag ik naar het toilet?" moest vragen. Menneke toch… Toch eindig ik datzelfde schooljaar als beste van mijn klas en help ik zelfs Nederlandstalige klasgenoten bij lezen en tellen. Proficiat. Dat was mogelijk omdat mijn klas destijds functioneerde als een echt taalbad: een omgeving waarin ik het Nederlands op natuurlijke wijze kon verwerven, ondersteund door een goed opgeleide juf met hoge verwachtingen (en een actief stel hersens in de nieuwkomer).

De kansen die ik heb gekregen tijdens mijn onderwijsloopbaan zijn precies het tegenovergestelde van wat minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) nu voorstelt: kinderen met een vermeende "taalachterstand" apart zetten in gesegregeerde klassen. (1) Je kan de term 'gesegregeerd' niet gebruiken zonder een negatieve connotatie aan je standpunt mee te geven. Dat is alvast een polarisatie die de discussie niet vooruithelpt. (2) De tijden zijn veranderd, man. Indertijd hadden leerkrachten nog weinig of geen last van digitalisering, gelijkekansenbeleid, diversiteit, smartphones, scholenconcentraties, concentratiescholen, pedagogen, losgeslagen ouders, politieke bemoeienissen en generatieve AI. Bestond dat systeem toen al, dan had ik nooit dezelfde kwaliteit onderwijs gekregen, nooit het college gehaald, laat staan een academische carrière of dit opiniestuk. Je zou gaan denken… Het is goed mogelijk dat zelfs de minister (met een 'migratieachtergrond') haar functie niet had bereikt in zo'n gesegregeerd systeem. Er is blijkbaar toch iets blijven plakken dat nu een polariserend opiniestuk uitlokt. Aan de school zal het toch niet gelegen hebben…?

Taal, taal, taal

Wetenschappelijk onderzoek is duidelijk: apartheid verlaagt de lat. Huh? Zodra leerlingen in aparte groepen belanden, dalen de verwachtingen, en de prestaties zakken mee. (1) Ik mis de logica. (2) De term 'apartheid' doet dan weer denken aan Zuid-Afrikaanse toestanden; kunnen we nog iets lager zakken? Dat zien we vandaag al in het secundair Okan-onderwijs, waar lerarentekorten en capaciteitsproblemen de norm zijn (ik zie geen verband). Apartheid (hij houdt stug vol) legt een hypotheek op de toekomstmogelijkheden van kinderen.

Met de invoering van nieuwe minimumdoelen hadden we de hoop dat de lat eindelijk hoger gelegd zou worden voor elk kind, maar niets is minder waar gebleken. Maken de minimumdoelen dan een onderscheid tussen kinderen? Over minimumdoelen zegt de Vlaamse overheid dit: "Aan het eind van het lager onderwijs moet elke leerling de doelen Nederlands en wiskunde behalen. De minimumdoelen voor de andere vakdisciplines (bijvoorbeeld muzische vorming of aardrijkskunde) moeten bereikt worden door een meerderheid van de leerlingen". De hoge lat is blijkbaar niet bedoeld voor alle kinderen. Terwijl sommige leerlingen zullen leren over breedtecirkels, klimaatzones en Karel V, zullen andere leerlingen woordjes Nederlands leren. Deze hoogleraar lijkt te beweren dat kinderen uit OKAN-klassen, zgn. gewezen anderstalige nieuwkomers (of GAN), een uitzondering zullen vormen op de minimum doelen. Daar heb ik nog niets over gelezen; dit lijkt mij eerder een voorbarige extrapolatie van één of ander minderwaardigheidsgevoel. Zou er toch iets mis gegaan zijn in zijn opleiding?

Het is inmiddels twintig jaar geleden dat de toenmalige minister van Onderwijs, Frank Vandenbroucke (Vooruit) stelde dat hij drie beleidsprioriteiten had: "Taal, taal en taal." Zijn opvolger Pascal Smet (Vooruit) legde eveneens de nadruk op taal en schafte meteen de laatste meertalige scholen van Foyer af (zie hier). Ook Hilde Crevits (CD&V) zag taal als sleutel tot succes, en haar opvolger Ben Weyts (N-VA) sprak al binnen de 24 uur na zijn aantreden publiekelijk zijn geloof in een strikt Nederlandstalig beleid uit. Een meertalig beleid is per definitie onderhevig aan de basale fout parallelle processen. Onder Demir wordt dat beleid nog verder geïnstitutionaliseerd (ja, man) in een gesegregeerd systeem (kan een systeem gesegregeerd zijn?) vanaf het lager onderwijs.

Maar wat heeft een dergelijk taalbeleid na twintig jaar opgeleverd? De leerprestaties dalen al jaren en de onderwijskloof blijft gigantisch. Niemand twijfelt aan het belang van het Nederlands. Niemand. Maar opeenvolgende ministers lijken niet te begrijpen dat de beheersing van het Nederlands geen vóórwaarde is voor goede schoolprestaties, maar juist het resultáát van hoogwaardig onderwijs. Hoogwaardige lessen Nederlands dus…? Bewust kiezen voor segregatie (wat niemand doet, niemand) is daarom bewust kiezen voor minder kansen voor een groep leerlingen. Ik vrees dat mr. Agirdag hier één en ander met de haren trekt. (1) In een interview met Trends zegt Demir: "Het mag eindelijk eens vooruitgaan. We hebben twintig jaar verspeeld. Het is gedaan met wachten op rapporten en aanbevelingen". Volgens mij betekent dit dat er twintig jaar is getalmd met dat taalbeleid, en kan je ook niet stellen dat de leerprestaties al jaren dalen door het taalbeleid, eerder wel door het getalm. (2) Tweede punt is het oorzakelijk verband tussen taalbeheersing en schoolprestaties. Dat beheersing van de instructietaal een grote invloed heeft op leerprestaties lijkt mij overduidelijk. Waarom wil Agirdag dat hier omdraaien? De "hoogwaardigheid van het onderwijs" heeft veel kanten, onder meer het correct gebruik van de instructietaal, schriftelijk en mondeling, maar heeft niet als doel die taal aan te leren, tenzij het specifiek gaat om taalonderricht. Dat beheersing van het Nederlands dan een resultaat zou zijn van hoogwaardig onderwijs lijkt mij een bewering zonder grond, tenzij het gaat om taalonderwijs. Wie taalelementen gemakkelijk opneemt kan dat allicht ook via niet-taalgericht lesmateriaal, maar wie dat niet kan heeft misschien taalles nodig om dat materiaal te kunnen vatten. (3) De beladen term 'segregatie' wordt er weer even bijgesleurd, vermoedelijk op basis van het idee om kinderen apart te zetten voor taalonderwijs. Voor sommigen zal dat misschien nodig zijn?

Echokamer

Natuurlijk moeten we kansenongelijkheid aanpakken. Maar luister dan naar Vlaamse en internationale studies, ook van experts buiten de inner circle van de minister. Die studies tonen aan dat scholen met uitsluitend anderstalige leerlingen ook uitstekende resultaten kunnen behalen. Zie Zuhal Demir op bezoek in Engelse scholen. Zij slagen daarin door onder meer hoge verwachtingen voor álle leerlingen (zie het artikel), respect voor hun taal en culturele achtergrond (heb ik nergens gelezen), en een heldere, kordate gedragscode (inderdaad). Geen van die scholen kiest voor segregatie. Daar gaan we weer.

Het is verontrustend dat stevige wetenschappelijke bewijzen (bron?) tegen segregatie en apartheid (waar komt dat toch vandaan??) de minister niet lijken te bereiken. Door het ontbreken van een onafhankelijk adviserend orgaan, zoals bijvoorbeeld de Onderwijsraad in Nederland, verkeert het Vlaamse onderwijsbeleid steeds meer in een echokamer. Zou kunnen, de laatste twintig jaar. Het is tijd om de lat écht voor alle kinderen hoog te leggen (da's wel wat simpel gesteld), in plaats van sommigen opzij te schuiven. Engels is wel bruikbaar in heel de Westerse wereld; mogelijk hebben de Engelse scholen het daardoor wat gemakkelijker dan de Vlaamse.

Ik verwijs nog even terug naar de subjectieve interpretatie, door Orhan Agirdag, van bepaalde gegevens uit het PISA-rapport 2022; zie de inleiding. Als je stevige wetenschappelijke bewijzen wil gaan kneden, zijn we verder van huis.


9 – Onderwijsexpert maakt brandhout van Demirs aparte taalklassen: "Een goedkope oplossing die de schuld bij kinderen legt"

Dat Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) kinderen met een taalachterstand naar aparte taalklassen wil sturen, is niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, zegt onderwijsprofessor Piet Van Avermaet (UGent). En moet dat dan? Of is gezond verstand ook goed? Zie ook het achtergrondartikel Anderstaligen op school.

Kubra Mayda, De Standaard, 08-07-2025

Kinderen in het kleuter-, lager en secundair onderwijs die het Nederlands onvoldoende beheersen, zullen naar aparte taalklassen worden gestuurd. Dat maakte Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) dinsdag bekend. De minister is daarvoor nog op zoek naar zo'n 2.000 extra mensen. Volgens Piet Van Avermaet (UGent), onderwijsprofessor en directeur van het Steunpunt Diversiteit & Leren, dreigt het voorstel evenwel nergens toe te leiden. Piet Van Avermaet en Orhan Agirdag. Zijn er nog andere experten in de zaal?

Hoe kijkt u naar het voorstel?

Ik vind deze interview-vorm altijd wat verdacht. Prof. Van Avermaet wil iets gezegd hebben, maar wil zelf niet op de barricaden gaan staan, en nodigt dan maar een journalist uit zijn kennissenkring uit om hem te interviewen. De vragen zijn uiteraard vooraf doorgesproken; hoofdzaak is immers dat Van Avermaet zijn punten kan maken.
"Het voorstel van de minister is niet zinvol. Door kinderen die de Nederlandse taal minder goed beheersen in aparte klassen les te geven, legt Demir de schuld bij de kinderen, hun omgeving en hun ouders. Alle problemen van kinderen zijn veroorzaakt door hun omgeving en hun ouders! Beschuldiging van stigmatisering als verdedigingswapen. Zoiets als voor racist versleten worden door een gekleurde medemens. Het is een goedkope oplossing (als "minder duur" of als "niet doordacht"?) en ze klinkt aantrekkelijk, maar ze is er een die de wetenschappelijke evidentie negeert, want we weten dat kinderen systematisch apart bijspijkeren niet werkt." Maar niet apart bijspijkeren lijkt ook niet te werken, volgens wetenschappelijke bevindingen uit PISA- en andere testen. Schermen met wetenschappelijk onderzoek is overigens handig, maar niet overtuigend zonder bronvermelding.

"Toen ik eind jaren 70 leerkracht was, kregen lagere scholen met tien zogenoemde 'Nederlandsonkundigen' ook al drie extra lestijden. Die kinderen werden dan een paar uur uit de klas gehaald. Ik heb toen zelf ondervonden dat dat niet werkt. Later werd dat ook door onderzoek ondersteund: kinderen die uit de klas worden gehaald, missen delen van de les, waardoor ze riskeren slechtere punten te halen." Daar noemt hij wel een punt dat eerder nog niet echt aan bod kwam. Als je een kind een aantal uren per week in een aparte klas taalles geeft, mist het inderdaad uren van andere lessen. Hoe moet dat dan met de minimumdoelen? Anderzijds gaat het niet enkel over een paar uur per week. Zie het artikel van Stefan Grommen hierboven: "Die aparte taallessen hebben als doel om leerlingen vanaf het tweede leerjaar zo snel mogelijk bij te spijkeren in het Nederlands, zodat ze na 6 weken tot maximum 2 jaar opnieuw kunnen doorstromen naar de gewone lessen". Als het inderdaad gaat om één of twee jaar is er ook geen probleem van weer inspringen.

Wat werkt dan wel?

"Taal moet geleerd worden in de juiste context. Woordenschat die hoort bij de vakken wiskunde, geschiedenis of houtbewerking, wordt het best opgepikt in die lessen zelf. Dat heeft er ook mee te maken dat de taal in die gewone lessen visueel wordt ondersteund." Weet ik toch niet hoor. In een les wiskunde, geschiedenis of houtbewerking is het doel dat de leerling iets leert over wiskunde, geschiedenis of houtbewerking, en de leermethoden zijn dáárop afgestemd, en niet op het verwerven van de taal. Van iets anders uitgaan is een zwaar gebrekkige aspectscheiding. Anderzijds is de taalbeheersing juist een belangrijk element voor het begrijpen van de leerstof, én voor de communicatie met de leerkracht (dan nog in de veronderstelling dat die proper Nederlands praat). Daarom gaat taalbeheersing idealiter vooraf aan andere lessen. Denken dat een les wiskunde, geschiedenis of houtbewerking ook het taalniveau kan bijschaven op een gecontroleerde manier is ijdele hoop. Dit werkt gewoon niet, omdat je geen twee doelen tegelijk kan verwezenlijken met een leermethode die maar op één doel gericht is (basale fout: parallelle processen). Als een leerling erin slaagt zelf zijn taalniveau te verbeteren via het lesmateriaal, zoveel te beter, maar dat kan je niet van elke leerling verwachten.

Kan dat niet in die aparte lessen?

"Neen, dat is veel complexer. Ach zo? Twee doelen mengen is pas complex. Een aparte klas neemt de juiste context voor dat kind weg. Dat hangt er wel vanaf wat het kind in een aparte taalles tussen de kiezen krijgt, maar dat is inderdaad een interessant element. Je kan je ook een taalles inbeelden die het kind niet vooruit helpt in een les wiskunde, geschiedenis of houtbewerking. Aparte taallessen moeten dus wel afgestemd zijn op de terugkeer naar het gewone lesplan. In de realiteit zullen meerdere kinderen in die taalklassen een verschillende taalachterstand hebben, en dus ook een andere taalnood. Dat geldt ook voor de lessen wiskunde, geschiedenis en houtbewerking. Man, toch. Hoe moet de leerkracht daarmee rekening mee (oeps, taalfoutje) houden? Die aparte taalklassen zullen ongetwijfeld ook met relevante thema's werken, en dat is op zich interessant, maar kinderen hebben daar op dat moment geen nood aan. Er moet meer worden ingespeeld op de directe nood, en die zit in de vakken die ze krijgen." Tenzij de nood aan betere taalbeheersing directer is, uiteraard. Op die manier kunnen we blijven rondjes draaien. Twee parallelle processen werken geen van beide behoorlijk. Als ze beide noodzakelijk zijn moet je ze niet naast elkaar zetten, maar achter elkaar, en wel in de juiste volgorde. Dat betekent hier: eerst Nederlands leren, dan wiskunde, geschiedenis of houtbewerking.

Hebben aparte klassen een emotionele impact?

"Het kind krijgt het label van een taalprobleem en daarvan weten we dat het emotioneel niet de meest positieve effecten heeft. Het doet wel iets met iemand als je uit die klas wordt gehaald." Tenzij het kind worstelt met zijn eigen beperkte taalbeheersing. Na een taallesperiode ineens wél meekunnen met de anderen geeft ook een emotionele oppepper.

De minister zegt dat er 1.000 à 2.000 mensen nodig zullen zijn en wil daarvoor gepensioneerde leerkrachten inschakelen.

"Dat slaat nergens op (?). Er is al een leerkrachtentekort en bij de gepensioneerden zul je maar enkele geïnteresseerden vinden. Dat dreigt nergens toe te leiden (wat al iets anders is dan "dat slaat nergens op"). Het zal gigantisch veel druk op scholen zetten, hoe moeten zij dat organiseren? Neem nu een stad als Antwerpen, of een school in Brussel: hoe gaat ze dat in hemelsnaam doen?" Hier heeft hij allicht een punt. Maar dat is daarom nog geen argument om de beweegredenen van de minister te ontkennen.

Feit blijft dat kinderen het Nederlands minder goed beheersen. Bestaan er haalbare oplossingen?

"Om een taal te leren, moet je de taal spreken. We hebben gekeken naar hoelang kinderen in de eerste kleuterklas tijdens een normale lesdag met hun leerkracht spreken. Dat is gemiddeld een à twee minuten, in een paar extreme gevallen zelfs acht seconden. Voor alle duidelijkheid, dat is geen beschuldigende vinger naar de leerkrachten, maar dat heeft er alles mee te maken dat leerkrachten onvoldoende geprofessionaliseerd worden. Opnieuw een punt. Demir heeft daar ook geen afdoende antwoord op. Zie hoger Stefan Grommen, "Van peuter tot tiener". Nochtans valt er zoveel verbetering te boeken als leerkrachten in de reguliere klas zich bewust zijn van hun belangrijke rol in de taalontwikkeling van kinderen." Dat klopt allemaal, denk ik, maar een leerling met een taalachterstand blijft een probleem dat je niet oplost met het bewustzijn van de leerkracht.

Hoe kan dat er in de praktijk uitzien?

"De reguliere klas stimuleert de taalontwikkeling van jongeren vandaag te weinig op een spontane en natuurlijke manier. Dat zal in een aparte klas niet plots anders zijn. Ach zo? Wat wil de goede man hiermee zeggen? Een kind met Turkse roots dat het Nederlandse woord "twee" niet kent, kan makkelijk in de les wiskunde worden geholpen als een klasgenoot met Turkse roots dat even mag vertalen naar "iki" (Turks voor 2, red.), of als de leerkracht het even opzoekt in de les. Het aantal anderstalige leerlingen groeit blijkbaar nog. Zie je de leerkracht al bij elk onduidelijk woord de les onderbreken? De Vlaamse leerlingen zullen al gauw weer naar hun smartphone grijpen. En voilà, het kind heeft een link gelegd en begrijpt het. Klopt wel, maar waarom zou dat niet kunnen in een taalles? Ik ga er immers van uit dat in een aparte taalklas wel degelijk zal gewerkt worden met taal die gericht is op de reguliere lessen, om de slaagkansen van het kind daar te verhogen. Ik stel mij voor dat een anderstalig kind van een jaar of tien, in een taalklas die een heel jaar duurt, een niveau kan halen dat het taalniveau van sommige autochtone kinderen van die leeftijd zelfs overstijgt. Onderzoek toont net aan dat meertaligheid (dié basale fout weer; zie ook Hebben meertalige kinderen een slechter rapport?: het gaat hier om anderstaligheid, niet om meertaligheid) in de klas benutten in heel kleine interventies (klein misschien, maar hoe dikwijls?), wanneer een leerling een woord niet begrijpt, werkt. Maar dat botst met de ideologie van de politiek, die jarenlange onderzoeksevidentie negeert." Ho maar. Bronnen? Van Avermaet en Agirdag?

"In de kleuterklas zijn er veel dode momenten, zoals naar het toilet gaan of het jasjesmoment. Dat zijn doorgaans heel stille momenten, terwijl er meer aandacht kan zijn voor taalontwikkeling. Daar zijn mogelijkheden, zoals vragen naar de rits van het jasje en het kind zelf dingen laten verwoorden. Dat zijn kleine interactieve momenten die krachtig zijn." Soms maakt de man wel nuttige opmerkingen. Misschien moet hij eens samenwerken met de minister?


10 – Sceptische reacties op taalplan minister Demir: ambitieus, maar wellicht weinig realistisch of maat voor niets

De plannen van Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) om de kennis van het Nederlands op school bij te spijkeren worden onthaald op veel scepticisme, zowel bij politieke oppositie, vakbonden als bij onderwijsspecialisten. Er zijn vragen bij de haalbaarheid, gezien het sowieso al grote lerarentekort. Maar er is ook fundamentele kritiek op de manier waarop Demir het wil aanpakken.

Rik Arnoudt, VRT NWS, 08-07-2025

(1) Dit is blijkbaar een samenvatting van opinies van verschillende politieke partijen. (2) De bekommernis omtrent het vinden van 1000 tot 2000 extra leerkrachten komt overal terug. Dat is uiteraard en terechte bekommernis, gezien het huidige lerarentekort. Twee opmerkingen daarbij. (2.1) Je kan je afvagen of het lerarentekort een argument moet zijn om de maatregelen niet door te voeren, maar gezien de ernst van de situatie is het begrijpelijk dat ingrijpen voorrang krijgt op de zekerheid van een eenvoudige realisatie. (2.2) Er zijn al veel leerkrachten vertrokken door demotiverende toestanden in de klas. Misschien komen er met de nieuwe maatregelen wel een aantal terug.

"Nederlands is cruciaal, dus we staan hier onverkort achter", reageert Vlaams Parlementslid Stephanie D'Hose (Open VLD). "De grote vraag is natuurlijk waar je de leerkrachten vindt die deze lessen moeten geven met het huidige tekort. Ruwe schattingen stellen dat we zo'n 2.000 extra leerkrachten moeten vinden." 

D'Hose vindt de plannen van Demir vooral erg vaag. "Zo luid minister Demir is over haar ambities, zo stil is ze over hoe we de mensen vinden die deze ambities moeten waarmaken." Herhaling uit de vorige paragraaf. Heeft de reporter dit over het hoofd gezien?

Lees ook Van extra taaluren tot aparte taalklassen: zo wil Vlaamse regering kennis van Nederlands op school bijspijkeren

Vlaams Belang klinkt iets positiever. "Op het eerste zicht zien we positieve dingen", zegt Vlaams Parlementslid Jan Laeremans. Hij heeft ook wel vragen over de haalbaarheid: "Extra lokalen en extra personeel, waar ga je dat vinden?"

"We kampen met een historisch lerarentekort", stipt ook Vlaams Parlementslid Kim Buyst (Groen) aan. "Waar wil minister Demir de extra mensen halen voor die nieuwe klassen?" Allemaal op dezelfde nagel. Tot hiertoe nog geen klachten over de ambities. Toch positief?

"Zet de prioriteiten nu eindelijk juist: pak het lerarentekort aan, verklein de klassen en spijker Nederlands op maat bij: daar zou ons onderwijs beter van worden", reageert Vlaams Parlementslid Line De Witte (PVDA). Kleinere klassen en lerarentekort aanpakken werken mekaar tegen. Nederlands op maat is vaag.

Ook bij de vakbonden zijn er nogal wat bedenkingen. "Wij vinden het superbelangrijk voor de gelijke kansen van elke leerling dat elke leerling voldoende Nederlands kent, maar in combinatie met het lerarentekort vragen wij ons wel af wie die extra uren zal geven", vraagt Nancy Libert van de socialistische vakbond ACOD zich af. De neuzen staan alvast in dezelfde richting.

Vrees voor de lege doos

Naar schatting zouden er 1.000 tot 2.000 extra mensen nodig zijn om het plan van Demir echt te doen slagen. "Een huzarenstukje", zegt ze daarover zelf. Ze rekent ook op logopedisten, taalkundigen, gepensioneerde leerkrachten, vertalers, tolken en zelfs externe organisaties zoals de Taalunie om bij te springen. Er komen ook nieuwe, gratis bijscholingen voor taalexperten en leerkrachten.

Jan Laeremans (Vlaams Belang) wil het allemaal nog wel eens zien. "Als de scholen niemand vinden, zal het niet gebeuren", denkt hij.

"Nederlandse les geven aan leerlingen die de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig zijn, is wel een specialiteit", vindt Nancy Libert (ACOD). "Daarvoor heb je echt wel didactische vaardigheden nodig." Libert blijft met grote vragen zitten. "We mogen op een einde van de rit geen lege doos hebben." Interessant punt, dat van de didactische vaardigheden. Als dat klopt is dat momenteel immers een groot probleem, want niemand van de 'gewone' leerkrachten zal die speciale vaardigheden hebben. Hoog tijd om in te grijpen dus…

"Bijkomende lessen en bijscholingen geven, kan er niet zomaar bovenop", waarschuwt Marianne Coopman van de christelijke onderwijsvakbond COV. "De werkdruk is nu al onmenselijk hoog. Ook origineel; zij lijkt zich te baseren op het idee dat de beschikbare leerkrachten extra uren moeten gaan doen. Toch moeten ook de profielen die specifiek voor dit plan aangeworven worden uitstekende leraren zijn. En die vrees volgt dan weer uit de redenering dat de door gebrek aan opgeleide leerkrachten noodzakelijke zij-instromers niet de juiste kwalificaties zouden hebben (of niet zouden gesyndiceerd zijn). Dat is de enige waarborg voor uitstekend onderwijs. Dit kan niet door eender wie opgenomen worden." Terecht, vrees ik. Nu veronderstel ik dat Demir en co daar ook wel aan gedacht hebben, maar dat aspect heb ik elders nog niet gezien.

Een maat voor niets?

Ook onderwijsspecialisten hebben zo hun bedenkingen. De huidige maatregelen zullen een maat voor niets zijn", denkt Piet Van Avermaet (UGent). "Waar gaan we 1.000 à 2.000 extra leerkrachten halen als er nu al een gigantisch lerarentekort is?" Hij vindt het voorstel van Demir wel heel gemakkelijk klinken. Nogmaals dezelfde nagel. Maar Van Avermaet kan zijn klassieke standpunt nu toch niet achterhouden.

Van Avermaet vindt het niet zo'n goed idee om kinderen met een taalachterstand zomaar uit de klas te halen voor apart taalonderwijs. Hij vindt dat er meer moet worden geïnvesteerd in professionalisering van de leerkrachten in de gewone klas (hoeveel zijn er dát niet?), "zodat kinderen in de reguliere klas Nederlands kunnen leren". "Een extra leerkracht die ondersteunt in de klas is veel beter", zegt hij. Hier lijkt het alsof 'professionaliseren' in feite betekent er iemand naast zetten. "Dan is de contextuele verbinding veel sterker." En ontstaan onderlinge spanningen omdat de doelstellingen verschillen. Geniepige tegenwerking kan veel schade aanrichten. Om dan nog maar te zwijgen over de stigmatisering van kinderen die uit de klas worden gehaald. Nog een klassieker. Heeft hij het al over 'segregatie' gehad?

"De taal van de wiskundeles wordt in de wiskundeles geleerd", aldus Van Avermaet. Dat zoiets met een apart taalbad ook mogelijk zou zijn (een logische veronderstelling), is volgens hem een foute aanname. "Extra ondersteuning is cruciaal en noodzakelijk, maar het effect is groter als die extra lestijden worden benut door in de klas te ondersteunen." Als dat niet te organiseren valt op een manier die resultaten geeft, dan heeft het ook weinig zin om dat te blijven verklaren.

Een apart taalbad acht hij alleen nuttig bij kinderen die totaal geen Nederlands kennen. "Die kun je niet zomaar bijspijkeren, en dan is het wel goed om die gedurende een bepaalde periode apart te nemen." Maar dat taalbad in afzonderlijke klassen mag ook niet te lang duren, vindt Van Avermaet. Na 4 maanden keren zij volgens hem best terug naar de reguliere klas en kunnen er heen- en terug momenten worden georganiseerd. Nog een nieuw idee: heen- en terugmomenten. Met telkens een nieuwe stigmatisering?


Nakomers


11 – Er is niks sociaals aan een kind droppen in een klas waar het de leraar niet begrijpt

Wouter Duyck steunt het idee van de 'taalheldklassen' van Zuhal Demir. In het belang van anderstalige kinderen. Zachte cognitieve heelmeesters maken immers stinkende sociale wonden. "Zachte heelmeesters maken stinkende wonden" is een bekend gezegde, en dat durft nogal eens uitkomen in de praktijk. Dat tolerantie op cognitief vlak zou leiden tot sociale problemen is echter niet evident; het is wel vrij duidelijk dat beide samenkomen in de schoolcontext. Door de gebrekkige aspectscheiding krijgen "experts" de mogelijkheid om tegengestelde standpunten in te nemen.

Wouter Duyck, Hoogleraar cognitieve psychologie (UGent), De Standaard, 09-07-2025

Gisteren lanceerde minister van Onderwijs Zuhal Demir (N-VA) haar taalplan voor het Vlaamse onderwijs. Tien goede en nodige acties (zie hier), gericht op jonge kinderen. Het is de nodige en juiste beleidskeuze. Duyck is duidelijk pro. Toch weerklonk dadelijk kritiek, van Piet Van Avermaet en Orhan Agirdag (hij lijkt de heren te kennen; UGent concullega's?), in deze krant (DS 9 juli). Dat het toch beter was om taalarme kinderen in hun klas te houden. Onbegrijpelijk. Taalarme kinderen verdienen beter dan lijdzaam hun lot te moeten ondergaan. Duyck legt als cognitief psycholoog een verband met sociale omstandigheden, en zegt impliciet dat die niet verbeteren, als gevolg van taalachterstand. De term 'taalarm' is eerder ongedefinieerd, om niet te zeggen denigrerend.

Dit stuk zou eigenlijk moeten beginnen met de evidente vaststelling dat iedereen het eens is dat (school)taal, en dus Nederlands, belangrijk is. Toch schrijft Agirdag: "Ministers lijken niet te begrijpen dat de beheersing van het Nederlands geen voorwaarde is voor goede schoolprestaties."

Interessante paragraaf. Dit is wat Agirdag schreef: "opeenvolgende ministers lijken niet te begrijpen dat de beheersing van het Nederlands geen vóórwaarde is voor goede schoolprestaties, maar juist het resultáát van hoogwaardig onderwijs". De accenten geven duidelijk aan dat het hem gaat om de tegenstelling tussen voorwaarde en resultaat. Ik ben het niet met hem eens, en heb zijn beweringen tegengesproken (zie hoger: Gescheiden taalklassen). Maar wat doet Duyck nu? Hij haalt daar enkel het eerste deel uit, en suggereert daardoor dat Agirdag zou gezegd hebben dat kinderen geen Nederlands hoeven te kennen om goed te presteren. Waarom zou hij dat doen? Ik zie twee mogelijkheden. (1) Hij doet dat niet met opzet, maar heeft inderdaad enkel de eerste zin gelezen. Dat is dan niet bijster snugger, want de accenten op vóórwaarde gaven duidelijk aan dat er nog iets zou komen. In dat geval zou ik minstens spreken van een basale fout, nl. een foutieve procedure; je hoort immers de hele zin te lezen. (2) Hij is het niet eens met het activisme van Agirdag, en besluit hem een loer te draaien door het eerste deel van zijn uitspraak uit de context te trekken. Dat is al geen basale fout meer; dit is sabotage. Bij de begin van het artikel was ik geneigd het eens te zijn met Duyck, maar dit vind ik niet kunnen; dit lijkt op kwaadwillige polarisatie.

Dat is natuurlijk onzin. Allerhande sociologische analyses ten spijt is het soms eenvoudig: een kind dat de leraar niet verstaat, zal niks leren, hoeveel geld er ook naar gelijke onderwijskansen gegooid wordt (en dat is bij ons erg veel)(bron?). Maar dit is wel gezond verstand; daar heb je inderdaad geen sociologische analyses voor nodig. Uiteraard is Nederlands een voorwaarde voor leren. Taal is niet zomaar een vak. Taal laat toe om te leren zonder te moeten ervaren (vreemde  omschrijving, maar OK). Taal draagt elke instructie en kennis. In het lager onderwijs leren we lezen, om vervolgens te kunnen lezen om te leren. "Lezen is denken met andermans hoofd", zei Schopenhauer. Aan Schopenhauer ga ik niet beginnen, maar Duyck heeft wel een punt: taalkennis laat toe om te leren. Dat impliceert opnieuw dat taalkennis moet voorafgaan aan leren, in tegenstelling tot de opinie van Agirdag.

Uitgerekend voor kwetsbare kinderen is dat cruciaal: taal brengt de wereld die bestaat buiten de eigen beperkte leefwereld in het hoofd van het kind, waar nieuwe kennis aan oudere kennis haakt. Voor een kind dat nooit in Parijs zal raken met de ouders, is de taal de Thalys van de kennis die in Parijs te rapen valt. Ik weet niet waarom dat zo moeilijk moet beschreven worden. Duyck zakt verder weg.

Sterk taalbeleid

Taalachterstand wordt schoolachterstand. Een stelling. In het Pisa-onderzoek (welk jaar of jaren?) hebben kinderen die thuis niet de schooltaal spreken, allochtone én autochtone (OK!), een jaar (of minder of meer) leervertraging ten opzichte van wie dat wel doet. Effecten van afkomst op leren zijn voor een groot deel taaleffecten, veel meer dan armoedeproblemen (inderdaad een conclusie van PISA; zie de inleiding). De conclusie is evident: wie gelijke kansen wil realiseren, moet een sterk taalbeleid voeren (mee eens), en dat is wat de minister doet (idem). Allochtone ouders zijn daar trouwens vaak meer van overtuigd dan sommige beleidsmakers (bron?).

De volgende vraag is hóé je dat doet. Van Avermaet hekelt pull-outprogramma's, waarbij taalarme kinderen aparte taalinstructie krijgen, zoals Demir voorstelt. Hij stelt dat remediëring (bijspijkeren) in de gewone klas (push-in) beter werkt. Daar zijn voorbeelden van. Maar het gaat dan vaak om individuen (zoals Agirdag, die verwijst naar zijn eigen klas in 1990)(andere tijden!), of om grotere, maar homogene groepen migranten. Zoals latino's die naar Californië migreerden en in een proefproject tweetalig Spaans-Engels onderwijs kregen, met een leraar die beide talen beheerst.

Dat is evenwel compleet onbruikbaar voor onze Vlaamse context. Waar klassen tot vijftien verschillende thuistalen hebben, die de leraar niet begrijpt. Waar de Koalatest (verplichte taalvaardigheidstest voor Vlaamse kleuters) aantoont dat één grootstedelijk kind op de drie onvoldoende Nederlands begrijpt om zinvol het eerste leerjaar te starten. Het Pirls-onderzoek (Progress in International Reading Literacy Study, of internationale test van leesvaardigheid) toonde dat nog maar 52 procent van alle Vlaamse kinderen thuis altijd Nederlands spreekt, veel minder dan in andere landen (zie hieronder). Dat is een immens verschil met de kwetsbare kinderen van de vorige eeuw, voor wie we fantastische sociale mobiliteit creëerden (?).

– De Koalatest wordt elk jaar gedaan, in het najaar. Ik zie geen opvallende evolutie in de resultaten van 2022-2023-2024. De figuren 3 zijn gelijkaardig over de jaren, maar zijn wel veelzeggend voor wat betreft de thuistaal. Bekijk bv. het rapport van 2024, op p.7. Hier moet je twee dingen weten. (1) "TNN" staat voor "Thuistaal niet Nederlands". (2) Groen slaat op kinderen die qua taalniveau zonder meer naar het eerste leerjaar kunnen; geel slaat op kinderen die "waarschijnlijk extra ondersteuningsmaatregelen" nodig hebben, en voor rood is dat "waarschijnlijk intensieve extra ondersteuningsmaatregelen". Het rapport toont een verband tussen het aantal kinderen die thuis geen Nederlands spreken en de resultaten van de Koala-test. Die "één kind op drie" van Duyck is wat met de haren getrokken (ook volgens figuur 4!), maar je kan wel concluderen dat kinderen die thuis geen Nederlands spreken zeer waarschijnlijk met een taalachterstand beginnen in het eerste leerjaar.
– In het Vlaams Pirls-test rapport 2021, vinden we op p.117 een overzicht van diverse kenmerken van kinderen, en de invloed daarvan op hun leesvaardigheid. Daaruit blijkt dat de thuistaal één van de belangrijkste factoren is. In de grafiek op p.75 zie je dat maar 52% van de kinderen thuis altijd Nederlands spreekt, en dat is vreemd genoeg inderdaad het laagste percentage in Europa.

Superdiversiteit

In onze superdiversiteit is de klas geen kwaliteitsvol taalbad, waar kinderen van elkaar leren, eerder dan van de leraar (de echo van het achterhaalde constructivisme). Wie dat hoopt, heeft te lang aan een universiteit vertoefd en te weinig in een Brusselse klas. Een sneer naar de concullega's. Zelfs Van Avermaet geeft toe dat onze reguliere klassen taalontwikkeling onvoldoende stimuleren. Terwijl zijn push-inmodel net constante interactie vereist tussen de gewone leraren en een extra taalleraar. Dat is gewoon onmogelijk voor onze tienduizenden klassen. Die extra taalleraar in elke klas is een nieuw element. Het is mij niet duidelijk of Van Avermaet en Agirdag dit echt zo zien werken, vermits ook Van Avermaet denkt dat Demir geen 1000 tot 2000 extra leerkrachten gaat vinden.

Een uitdaging voor dit plan is precies de beschikbaarheid van gekwalificeerd personeel. Als dat al niet gevonden kan worden voor Demirs taalheldklassen, zoals Van Avermaet tegelijk argumenteert, dan helemaal niet voor push-in. Dat lijkt mij inderdaad een efficiëntieprobleem, enerzijds omdat een extra leerkracht zou ingezet worden voor slechts een deel van een klas, anderzijds omdat er in veel klassen allicht leerlingen met verschillende thuistalen zitten, waar één leerkracht dus weinig kan oplossen. Als we dat doortrekken naar het voorstel van Demir betekent dat misschien ook dat de efficiëntie moet opgedreven worden door niet alleen kinderen uit verschillende klassen te verzamelen, maar ook uit verschillende scholen. Ons taalprobleem moet efficiënt en professioneel aangepakt worden. Een wetenschappelijke review (bron?) concludeerde dat aparte taalinstructie net succesvol is vanwege de extra aandacht en kwaliteitsvolle interactiemogelijkheden. Als gebrekkige kennis van het Nederlands een probleem is, dan is bijspijkeren van het Nederlands de enige effectieve oplossing.

De taalheldklassen van Demir zijn ook maar één van tien actiepunten (zie hier alle actiepunten), specifiek bedoeld voor anderstalige nieuwkomers. Net als de al bestaande aparte Okan-klassen in het secundair onderwijs. Dat wérkt. Waarom dezelfde kans ontzeggen aan jongere kinderen in het basisonderwijs, als we weten dat kinderhersenen taalsponzen zijn en verwervingsleeftijd de beste voorspeller is van latere taalvaardigheid? Taal- en leesvaardigheid leer je doorheen heel de schooltijd; hoe vroeger een kind ermee begint, hoe verder het komt. Bied het kind eerst duidelijke instructie, een kader en een startpunt voor een eerlijke kans.

Het plan mikt ook expliciet op "een zo snel mogelijke integratie van de leerlingen in het reguliere onderwijs". De uitvoering ligt ook volledig bij het onderwijsveld zelf. Schenk onze leraren dat vertrouwen. In de klas, als het kan. Apart, als het moet. Even een paar nieuwkomers Nederlands leren, terwijl de rest van de klas gewoon doorgaat, dat kunnen alleen supermensen. Moest er nog zand zijn?

Laat de kramp op noodzakelijke maatregelen dus achterwege. Gericht aan Van Avermaet en Agirdag. Zachte cognitieve heelmeesters maken stinkende sociale wonden. Da's wel nogal straf uitgedrukt, en allicht polariserend bedoeld. Dat hebben we de voorbije twintig jaar wel geleerd. Samen met taalvaardigheid en rekenprestaties kelderde ook sociale mobiliteit (?). Er is niks sociaals aan een kind droppen in een klas waar het de leraar niet begrijpt, op weg naar voorspelbare mislukking en schooldemotivatie (kan niet veralgemeend worden, mr. Duyck). In de zorg vinden we gerichte interventies (wat bedoelt hij daarmee?) ook geen 'segregatie'. Emotionele verontwaardiging vanuit een naïef inclusie-ideaal helpt geen enkel kind vooruit. Nogmaals aan Van Avermaet en Agirdag; over emotionele verontwaardiging gesproken… Iedereen taalheld!


Intermezzo – Een overzicht van voor dit artikel nuttige informatie in de PISA-rapporten, over taalbarrières voor leerprestaties. Weliswaar verzameld door ChatGPT, en niet geverifieerd, dus zonder garantie.

1. PISA 2018 Results – Volume I: What Students Know and Can Do – Dit rapport bespreekt de algemene prestaties van studenten, inclusief het effect van taalbarrières. Het analyseert hoe sociale en culturele achtergronden (inclusief migratie) de prestaties beïnvloeden.

2. PISA 2015 Results (Volume II): Policies and Practices for Successful Schools – Dit rapport bespreekt hoe schoolbeleid en de ondersteuning van leerlingen met verschillende achtergronden bijdragen aan betere prestaties. Het biedt inzicht in hoe landen met verschillende onderwijsstrategieën omgaan met kinderen die de schooltaal niet beheersen.

3. PISA 2012 Results – Volume II: Excellence Through Equity: Giving Every Student the Chance to Succeed – Dit rapport gaat in op de rol van sociaaleconomische achtergrond en taalbarrières bij de prestaties van leerlingen. Het bespreekt hoe landen gelijke onderwijskansen bieden, ondanks verschillende uitdagingen zoals taalachterstand.

4. PISA 2018 – Examining the Link between Language and Learning – Een specifiekere analyse van hoe taalvaardigheden invloed hebben op de leerprestaties van studenten, met nadruk op leerlingen die de schooltaal niet als moedertaal hebben.

5. PISA 2018 Results – Volume V: Effective Policies for Equity in Education – Dit rapport richt zich op hoe beleidsmaatregelen in verschillende landen de kloof tussen leerlingen van verschillende achtergronden kunnen verkleinen, inclusief die met een migratieachtergrond of een ander taalgebruik.

6. OECD Brief – The Role of Language in Education – Dit is een kortere analyse van de invloed van taal op onderwijsprestaties, waarin specifiek wordt gekeken naar de effecten van meertaligheid en taalachterstand op de prestaties van leerlingen.

Deze rapporten zijn cruciaal voor het begrijpen van hoe taalvaardigheden, migratieachtergrond en sociaaleconomische factoren samenhangen met leerprestaties op internationaal niveau. Ze bieden concrete data en analyses die de relatie tussen taalachterstand en leervertraging verder onderbouwen.


12 – Aparte taalklassen zijn een goed idee, zeker voor leerlingen die het Nederlands wel beheersen

In de discussie over de aparte taalklassen leest oud-schooldirecteur Hugo De Wulf nooit over het belang van Nederlandstalige kinderen. Dat zet hij recht in deze ingezonden brief. Als je een tijd in een schoolbestuur zit, leer je de problemen "op de vloer" kennen, en dan begrijp je dat de leerkrachten de laatste paar decennia zijn ondergesneeuwd door de problemen van anderen. Een schooldirecteur kan daarover meepraten.

Hugo De Wulf, De Standaard, 13-07-2025

Ik had me als gepensioneerd directeur van een middelbare school voorgenomen ver van het onderwijsgewoel weg te blijven, maar bepaalde reacties op de taalbadklassen van Onderwijsminister Zuhal Demir (N-VA) deden me even naar adem happen.

Allereerst moet ik vaststellen, vanuit mijn jarenlange ervaring, dat het onthutsend is met welke taalachterstand meer en meer leerlingen aan het secundair onderwijs beginnen. Ik wil de collega's van het basisonderwijs niet met de vinger wijzen – zij roeien met de riemen die ze hebben – maar dat er een en ander scheefloopt, kan je moeilijk ontkennen.

Toen ik ouders van leerlingen met bijzonder gebrekkige taalkennis vroeg waarom ze voor deze school hadden gekozen, kreeg ik meer dan eens het antwoord: om Nederlands te leren. Uiteraard hielp het niet dat ik vervolgens uitlegde dat een middelbare school geen talenschool is. Duidelijker kan je het uiteenlopende verwachtingspatroon van sommige ouders en een school niet schetsen.

In nogal wat afwijzende reacties op de plannen van Demir lees ik de verwachte dada's: taalonderwijs moet contextueel verlopen en met aparte taalklassen stigmatiseer je de leerlingen. De opinie van Van Avermaet en Agirdag. Eigenlijk wel vreemd dat ik in de pers zelden andere namen tegenkom dan die twee.

Zucht.

Kijk, de huidige methodes werken duidelijk niet of onvoldoende (wat de leerkrachten al lang aanvoelen, en de PISA-resultaten zelfs bewijzen), dan moet je misschien wel eens drastischer uitpakken. De koe bij de horens vatten. En teruggaan naar het begin van de foutensequentie. In de hele discussie lees ik zo goed als uitsluitend één perspectief: dat van de leerling die slecht Nederlands spreekt. Maar wat met onze Nederlandstalige leerlingen? Geen woord daarover. Uiteraard niet. Beweren dat taalheterogene klassen ongelofelijk veel inzet en tijd vragen ten koste van de Nederlandstaligen, dat is vloeken in de kerk. Dit is nu de eerste keer dat ik dit argument te lezen krijg. Echt waar. En de man heeft overschot van gelijk. Misschien moeten we ons inderdaad eens afvragen waarom de situatie van de Nederlandstaligen niet aan bod komt, net zoals de situatie van de hoogpresteerders geen aandacht krijgt. Nochtans worden de leerkrachten dagelijks met de neus op de feiten gedrukt; die moeten dat toch zien. Eén en ander betekent blijkbaar dat de leerkrachten niet bevraagd en/of niet gehoord worden.

Het is nochtans de realiteit. Of je nu wil of niet, met zulke klassen (met anderstaligen) gaat het onderwijs, niet alleen voor het vak Nederlands trouwens, bijzonder traag. Uiteraard. In feite heb je daar parallelle processen: het opleiden van vlotte taalgebruikers loopt parallel met het bijspijkeren van de achterblijvers. Voor een leerkracht is dat ondoenbaar; parallelle processen werken nooit goed.

Ik herinner me nogal wat bezorgde ouders van Nederlandstalige leerlingen die zich afvroegen waar het 'evenwicht' was in de klassen. En de vraag hoe de school kon garanderen dat hun kinderen kregen waar ze recht op hadden. Want die kinderen kwamen ook met hun verhalen thuis …

Gaan we echt blijven pamperen? Iedereen is van harte welkom, maar als je in een Nederlandstalige school wil inschrijven, dan moet je daarvoor inspanningen leveren. Dat is een stevig engagement. Er mogen heel veel middelen vrijgemaakt worden om die leerlingen snel verder te krijgen, maar de andere mogen ondertussen niet op hun honger blijven zitten. Ge hebt gelijk, man.

Ik weet het, bovenstaande leest voor sommige mensen nogal ongemakkelijk, maar ik voel het als mijn plicht om vanuit mijn ervaring, meer dan veertig jaar, ook dat perspectief te belichten.

Overigens is voor mij de centrale vraag waar de scholen de leerkrachten voor die taalklassen zullen vinden. Al de rest is gespin in de marge. Lerarentekort; dé hoofdbreker voor veel schooldirecteurs. Maar ook daar weer: dat is geen reden om maar alles bij het oude te laten.


13 – Als er vertrouwen is, volgt de taal vanzelf. Maar Demir doet het tegenovergestelde

Op haar eerste schooldag sprak Jamila El Baroudi geen woord Nederlands (zou ze Orhan Agirdag kennen?), maar een taalachterstand zou ze het niet noemen. Oeps? Kijkend naar haar eigen kinderen vreest ze voor de aparte taalklassen van Zuhal Demir (spreken haar kinderen nog geen Nederlands?). Een taal leer je niet in isolatie, schrijft ze. De Van Avermaet-hypothese.

Jamila El Baroudi, Zorgcoördinator kleuter aan de vrije basisschool Iqra in Borgerhout, De Standaard, 13-07-2025

De Marokkaanse basisschool Iqra (Arabisch voor 'leren') is in 2013 in Borgerhout opgestart (met enige ophef), als reactie tegen sociale ongelijkheid in Vlaamse scholen. Dat kleurt de opinie allicht. Ook tijdens de vakantie, in de warme zon in mijn thuisland (?!), blijf ik het onderwijs op de voet volgen. Soms komt het nieuws zó hard binnen dat je er niet omheen kunt. Je móét reageren.

Minister Zuhal Demir (N-VA) deed onlangs enkele uitspraken over apart taalonderwijs voor anderstalige kinderen. Ze raakten me. Ik ben geboren en getogen in hartje Borgerhout, maar begon mijn schoolcarrière zonder één woord Nederlands te kennen (ach zo?). Volgens de nieuwe normen had ik een "taalachterstand". Maar was dat het? (1) Je kan inderdaad maar van achterstand spreken als er een norm is. Ik denk ook hier weer aan de Koala-test, die nagaat of een kleuter voldoende Nederlands kent om in het eerste leerjaar te starten; dat kan alvast als een norm gezien worden. Van andere normen, voor andere leerjaren, is mij niets bekend. Maar dan nog. Je kan je maar vergelijken met een norm als die norm de realiteit weerspiegelt. (2) Een ander aspect is uiteraard de positie van de spreker. De persoon die wordt geëvalueerd kan een andere mening hebben dan de evaluator. Daarbij speelt hetzelfde probleem met de norm: komt die wel overeen met de realiteit? (3) "Zonder één woord Nederlands" lijkt mij per definitie een achterstand, tenzij je gelooft dat zonder Nederlands ook alles moet kunnen.

Als een peuter of kleuter het Nederlands niet volledig beheerst op zijn eerste schooldag, betekent dat niet automatisch dat er sprake is van een achterstand. Het betekent: een andere start. Niet minder rijk, niet minder waardevol. Wat je niet ziet bestaat niet? Het gaat nu eenmaal wel om opleiding in een Nederlandstalige school, en dan is het kennisniveau in het Nederlands wel bepalend voor het begrip van de leerstof, taal en andere. Andere persoonlijke kenmerken, hoe rijk en waardevol ook, spelen daarin geen grote rol.

Mijn ouders waren analfabeet. Mijn vader sprak vooral Antwerps dialect, mijn moeder enkel onze moedertaal (dat doen moeders immers altijd :-). En toch is het mij gelukt. Niet dankzij aparte taalklasjes, die heb ik nooit gekend (omdat ze er toen nog niet waren; El Baroudi begon haar professionele loopbaan in 2000), maar dankzij de gewone klas, betrokken leerkrachten en het vertrouwen dat men in ons stelde. Mijn schoolvriendinnen, kinderen van gastarbeiders die thuis alleen Turks, Arabisch, Berbers hoorden, spreken vandaag vlot Nederlands. Wie zal het zeggen. Ze studeerden af, werken, dragen bij aan de samenleving. Niet ondanks, maar dankzij hun moedertaal. En daar ontbreekt de logica. Dat hun succes in de maatschappij zou te danken zijn aan hun moedertaal gaat er bij mij niet in. Als ik naar Marokko emigreer heb ik niets aan mijn Nederlands.

Ook mijn kinderen groeien op in twee talen. Mijn man en ik hebben er bewust voor gekozen om thuis onze moedertaal te spreken. Dat ook nog?! Niet omdat we Nederlands niet belangrijk vinden, maar omdat we geloven in de rijkdom van meertaligheid. Daar is iets van. Maar dat integratie moeilijker verloopt als inwijkelingen vasthouden aan het moederland, daar is ook iets van.

Zomerschool

Van mijn oudste kinderen was ik al vergeten hoe snel ze het Nederlands machtig werden, maar nu mijn jongste spruit op school begonnen is, valt het me des te meer op. Haar Nederlands omhelsde nauwelijks meer dan "ja" en "nee". Had ze dan een taalachterstand? Nee. Volgens de Koala-norm allicht wel. Ze had een rijke woordenschat in ónze (?!) taal. Zolang Nederlands de taal blijft van de anderen geraak je niet geïntegreerd. Ze kon verhalen vertellen, gevoelens benoemen, vragen stellen. Alleen nog niet in het Nederlands. Dat lijkt mij een waardevolle manier om een kind te bekijken, maar de Nederlandssprekende leeftijdsgenoten hebben dat ook. Dan kan je toch niet ontkennen dat hún Nederlands een voorsprong geeft bij het volgen van rekenen en aardrijkskunde en geschiedenis in het Nederlands?

En toch leerde ze het. Zoals zoveel kinderen: door te spelen, te praten, liedjes te zingen, zich onder te dompelen in een klas vol taal. Zes maanden later voert ze moeiteloos conversaties in twee talen. Wie zal het zeggen. Want kinderen zijn flexibel. En als er vertrouwen is, volgt de taal vanzelf. Bij de ene al meer dan bij de andere. Vergeet ook niet dat dit in twee richtingen werkt: wie een goede kennis heeft van het Nederlands kan goed communiceren, wat dan weer bijdraagt aan het zelfvertrouwen.

Wat ik dan ook absurd vind, is dat ouders en jonge kinderen in de plannen van de minister onder druk zullen worden gezet om hun zomervakantie op te geven voor een zomerschool. Is dat zo? Alsof enkele weken met familie, in je thuistaal, ineens een probleem zijn. Nu wordt het voorgesteld alsof thuistaal gebruiken problematisch zou zijn; dat is niet eerlijk. Is dit met opzet? Alsof die tijd geen waarde zou hebben. Mens, toch. Wij kiezen ervoor om die tijd samen door te brengen met onze geliefden. En ja, in onze moedertaal. Die tijd is óók pedagogisch waardevol. Of die tijd pedagogisch is, hangt van de onderwerpen af, maar daar gaat het niet om. En of een gevorderde kennis van de thuistaal, als gevolg van die eventuele pedagogische gesprekken, iets bijbrengt aan de kennis van het Nederlands, of aan integratie, daar heb ik mijn twijfels bij.

Taal leer je niet in isolatie. OK. Niet in aparte klasjes of in systemen die kinderen losmaken van hun groep. Er zijn er intussen zoveel dat ze nooit alleen zullen zitten. Je leert taal als je wordt aangesproken, uitgedaagd, betrokken. OK. Als je mag deelnemen aan een rijke leeromgeving, vol betekenisvolle taal. OK, maar welke, de instructietaal of een andere? Taal is geen bedreiging. Waar komt dát vandaan? Taal is een brug. In de schoolcontext is de instructietaal een brug.

Aan het begin van dit beleidsplan was ik hoopvol, toen minister Demir sprak over het belang van rijke kennis en minimumdoelen vanaf jonge leeftijd – dáár kon ik me volledig in vinden. Eindelijk aandacht voor gelijke onderwijskansen. Ah, toch? Maar wat nu wordt voorgesteld, aparte taalklasjes, los van de groep, doet precies het tegenovergestelde. Terwijl sommige kinderen een taallesje krijgen (dit is kortzichtig, en denigrerend), bouwen hun klasgenoten kennis op (dankzij hún kennis van de instructietaal). En laat net die rijke leerstof nodig zijn om taal in context te ontwikkelen. En toch blijft deze opinie kortzichtig. Basale fout: gebrekkige aspectscheiding. Ik neem aan dat deze mevrouw gelijk heeft, en dat een rijke leerstof nodig is om taal in context te ontwikkelen. Maar als zij denkt dat dat het hele verhaal is, dan vergeet ze wel enkele aspecten. (1) Taal kan ook buiten die context ontwikkeld worden; dat gebeurt in elke taalcursus. (2) Als je kinderen in de schoolcontext taalles geeft in een aparte klas, is het nogal evident dat het lesmateriaal uit de 'reguliere' klas ook lesmateriaal zal zijn in de taalles. (3) Wat de overheid maatregelen doet nemen is het toenemende bewijs van de negatieve invloed van kinderen met instructietaalachterstand op het leereffect bij kinderen zonder achterstand. Dat heeft niets te maken met een appreciatie voor een anderstalige achtergrond (zie ook Hebben meertalige kinderen een slechter rapport?), maar wel alles met het optimaliseren van fysieke en mentale capaciteiten van jongeren, ten voordele van zichzelf én van de maatschappij. De PISA-rapporten vormen daarvoor een meetgereedschap.
Zie ook de bijdragen over Nederlandstalige leerlingen en over gelijkheid.

De kloof

In het onderwijsveld proberen we al jaren zo veel mogelijk in te zetten op een sterke, brede basiszorg, waarbij kinderen samen leren in één klas, met gedeelde doelen en ondersteuning op maat (wat in de praktijk niet kan zonder anderen te benadelen). We bouwen aan inclusie, niet aan segregatie. Nog een paar zware woorden ertussen. We geloven dat iedereen erbij hoort (waarbij?? als Nederlands de taal van de anderen is?), en dat onderwijs sterker wordt wanneer het vertrekt vanuit verbondenheid. Het 'onderwijs' moet niet sterker worden, wel de leerlingen.

En nu? Nu zouden we kinderen opsplitsen? Aparte trajecten uittekenen op basis van hun thuistaal? Ho maar. Echt waar? Wie is er nu aan het segregeren? Dan missen kinderen net wat ze het meest nodig hebben. De kloof wordt niet kleiner, maar groter. Mens, toch. Ik blijf het jammer vinden hoe goedmenende mensen problemen kunnen vergroten door niet ver genoeg door te denken, en er één aspect uit te halen om op te hameren. Gebrekkige aspectscheidingen…

De laatste jaren werd de taallat bewust laag gelegd. Kinderen werden te vaak 'jong gehouden', omdat rijke taal zogezegd te moeilijk voor hen zou zijn. Huh?! Zou dat niet zijn om kinderen met een taalachterstand een kans te geven om mee te zijn? Maar dat is geen ondersteuning, dat is een gebrek aan vertrouwen in hun mogelijkheden. Dat kan je niet veralgemenen. Kinderen leren sneller dan we denken, zeker als we hun de kans geven om te groeien. Zoals in taalklassen! Waar ze kunnen groeien in hun mogelijkheden om hun kennis van de instructietaal te benutten om te groeien op alle andere vlakken.

Taal leer je niet door (fysiek) apart gezet te worden. Je leert taal door er middenin te staan. En als je in de reguliere klas niet kan volgen door taalachterstand riskeer je dáár apart gezet te worden, maar dan mentaal.

Inzicht in basale fouten is even belangrijk als kennis van de instructietaal.

Taalkwestie